HET MACHTIG GELOOF VAN NEDERLANDSE VLUCHTELINGEN

Emden and the Dutch Revolt. Exile and the Development of Reformed Protestantism door Andrew Pettegree 350 blz., Clarendon Press 1992, f 146,- ISBN 0 19 822739 6

In de winter van 1553-1554 zwierven twee scheepjes langs Deense en Noordduitse havens. De opvarenden waren leden van de Nederlandse gereformeerde gemeente van Londen, die na de dood van koning Edward VII en de troonsbestijging van zijn katholieke halfzuster Mary Engeland ontvlucht waren. Het waren voor het grootste gedeelte mensen uit de Zuidelijke Nederlanden, waar het protestantisme streng vervolgd werd. Londen had hen enkele jaren gastvrij onderdak verleend, maar de nieuwe koningin had duidelijk gemaakt dat zij hun aanwezigheid niet zou dulden. Tevergeefs hadden zij toelating verzocht in het lutherse Denemarken en een aantal Noordduitse steden. Uiteindelijk vonden zij gastvrijheid in het Oostfriese Emden.

De aankomst van het kleumende hoopje bootvluchtelingen was het begin van een ongekende bloeiperiode voor Emden. Deze spectaculaire ontwikkeling wordt door de Engelse historicus Andrew Pettegree in zijn Emden and the Dutch Revolt op meesterlijke wijze verweven met geschiedenissen van de Nederlandse Opstand en de Reformatie in de Nederlanden. Schijnbaar moeiteloos verwerkt hij de massa oud en nieuw onderzoek die over deze periode beschikbaar is in een bondig en helder verhaal. Politiek, economie en religie worden daarbij in hun onderlinge samenhang opgevoerd en hun invloed uiteengezet binnen een kader dat heel West-Europa omspant.

De Oostfriese havenplaats was een gat vergeleken bij Londen en de Zuidnederlandse steden waar de vluchtelingen vandaan kwamen. Kerkelijk had de stad een compromis gevonden tussen luthers en gereformeerd. Binnen enkele jaren was dat alles volledig veranderd. De vluchtelingen werden actief in de plaatselijke kerkeraad en hervormden de kerk volgens de gereformeerde kerkorde die in Londen gegolden had. Zij werden hierbij gesteund door leden van de plaatselijke elite en door gravin Anna van Oost-Friesland, niet in de laatste plaats omdat hun komst economische voordelen bracht. Niet alleen groeide in korte tijd de Emdense bevolking met dertig procent, maar onder de nieuwe inwoners waren ook nogal wat vooraanstaande Antwerpse kooplieden die nu hun over heel Europa uitgespreide handelsnetwerken bestuurden vanuit het eens onaanzienlijke havenstadje.

BLOODY MARY

De opkomst van Emden als toevluchtsoord voor geloofsvluchtelingen viel in een periode waarin de protestanten in grote delen van Europa teruggedrongen werden. Buiten Duitsland, waar de Reformatie begonnen was, had het nieuwe geloof alleen in de Scandinavische landen officieel ingang gevonden. Hugenoten ontvluchtten Frankrijk en in Engeland zuchtten de protestanten onder de vervolgingen van de nieuwe Engelse koningin die haar bijnaam Bloody Mary alleszins eer aandeed. Bovendien versterkten interne hervormingsbewegingen overal de positie van de katholieke kerk.

In deze ongunstige omstandigheden maakten vluchtelingengemeenten als die in Oost-Friesland het mogelijk dat protestantse groepen zich konden handhaven. De kerk van Emden onderhield correspondentie met de kerken onder het kruis, de ondergedoken gereformeerde gemeenten in Antwerpen en Brugge en verspreidde groepjes in de kleinere plaatsen in de Zuidelijke Nederlanden, die door reizende predikanten werden bezocht. Emden steunde hen met advies, verschafte hun bijbels en andere stichtelijke boeken en bood een vluchtweg voor voorgangers en gemeenteleden die door de autoriteiten gezocht worden.

belangrijk deze steun was, bleek in 1558 in Antwerpen. De protestante gemeente daar was verscheurd door heftige interne meningsverschillen over de toelaatbaarheid van samenkomen in het geheim. De predikant Adriaan van Haemstede achtte een ondergronds bestaan onverenigbaar met het wezen van de kerk. Zijn openlijke optreden provoceerde de overheid tot scherpe vervolging, waardoor de Antwerpse gemeente vrijwel werd vernietigd. Binnen enkele maanden leidde echter een uit Oost-Friesland overgezonden predikant er weer een schare volgelingen.

Behalve met de Zuidelijke Nederlanden, waar georganiseerde gereformeerde kerken zich tegen de verdrukking in handhaafden, onderhield Emden ook contacten met de, zoveel dichterbij gelegen, noordelijke provincies. Hier was de vervolging veel minder sterk dan in het zuiden. Toch waren er veel minder gereformeerde gemeenten. In heel Holland werkten vóór 1566 slechts twee rondtrekkende predikanten. In Groningen was een georganiseerde kerkelijke gemeente, in Leeuwarden, Franeker en Zwolle waren groepjes sympathisanten.

Deze geringe mate van gereformeerde kerkvorming in de Noordelijke Nederlanden wijt Pettegree voor een belangrijk deel juist aan de tolerantere houding van de plaatselijke overheden. Zij waren minder strikt in het bewaken van de orthodoxie en de katholieke kerk was er minder militant. Het resultaat was dat mensen met gereformeerde sympathieën niet zo snel de principiële aandrang voelden om radicaal met de oude kerk te breken. Bovendien waren in het noorden de doopsgezinden relatief talrijk. Door deze concurrentie kwam de vorming van gereformeerde gemeenten minder goed van de grond.

BOLWERK

In 1559 keerde het tij voor de protestanten. In Frankrijk en Engeland bestegen vorsten de troon die hen gunstiger gezind waren. Uit deze landen kwam nu ook krachtige steun voor de dissidenten in de Zuidelijke Nederlanden, tot ergernis van de plaatselijke autoriteiten, die onmogelijk al het grensverkeer konden controleren. Met steun van de Engelse kerken werd Antwerpen het leidende protestante bolwerk in de Nederlanden. Emden bleef echter belangrijk, met name als opleidingscentrum voor predikanten en als leverancier van boeken.

Minutieus laat Pettegree zien hoe gevluchte drukkers, in samenwerking met de kerkeraad, Emden maakten tot de belangrijkste producent van verboden boeken voor de Nederlandstalige markt en hoe de distributie van deze verboden waar in de Nederlanden plaatsvond. Het drukken van boeken bleek overigens een uitermate lucratieve bezigheid en dat gold niet alleen voor gereformeerde werken. Ook naar werken van doopsgezinde en spiritualistische signatuur was veel vraag. Wel riskeerden Emdense drukkers de onvermijdelijke problemen met de kerkeraad als zij zouden proberen daarvan te profiteren.

In de jaren vanaf 1560 drong bij de verschillende Europese overheden het besef door dat vervolging het religieprobleem niet kon oplossen. Hun aarzeling lokte een steeds vrijer optreden van protestantse groepen uit. Deze ontwikkeling bereikte en hoogtepunt in het Wonderjaar 1566, het jaar van de massale hagepreken en van de Beeldenstorm. Ook in de Noordelijke Nederlanden ontstonden in dit jaar georganiseerde gereformeerde gemeenten.

Het wonder duurde niet lang. De misnoegde Spaanse koning stuurde de hertog van Alva met een leger om een einde te maken aan de troebelen in zijn Nederlandse gewesten. Daarmee kwam een tweede stroom protestante vluchtelingen op gang, veel groter dan de eerste. Geschat wordt dat dertig- à zestigduizend mensen de Nederlanden ontvluchtten, waarvan er 4000 naar Oost-Friesland kwamen.

Ook de Noordelijke Nederlanden waren dit keer sterk vertegenwoordigd. Emden ontving de ontheemden opnieuw gastvrij en voer daar wel bij. Bovendien vestigden Amsterdamse kooplieden zich in het Oostfriese land, nu de Watergeuzen schepen uit Nederlandse havens aanvielen. Zo beschikte Emden plotsklaps over een vloot groter dan die van Engeland en passeerden meer Emdense schepen de Sont dan die uit alle Noordduitse havensteden samen. In 1570 werd de stad uitgelegd tot het dubbele van haar eerdere oppervlakte. Enkele jaren later toonde de stad haar ambities door een nieuw raadhuis te bouwen dat een kopie was van het Antwerpse.

Dit keer brachten de vluchtelingen echter ook problemen. Officieel was Emden neutraal, maar in de praktijk fungeerde het als hoofdkwartier voor de Nederlandse opstandelingen. Agenten van Oranje verzamelden er fondsen voor de financiering van de Opstand en de haven was een belangrijke uitvalsbasis voor de Watergeuzen. Via de Duitse Rijksdag oefende Alva diplomatieke druk uit op de Oostfriese graven om hieraan een einde te maken. Deze edelen kwamen hierdoor in een moeilijke positie. Het ongedisciplineerd gedrag van de Watergeuzen, die meer en meer verwerden tot ordinaire zeeschuimers en de bevolking tegen zich innamen, maakte de toestand er niet beter op. In 1570 werd hen de haven van Emden ontzegd.

SYNODE

Ondanks alle overduidelijke economische en politieke activiteiten bleef het religieuze karakter van de vluchtelingengemeenschap in Emden overheersen. Vanuit Oost-Friesland werd zonder ophouden gewerkt aan de opbouw van een gereformeerde kerk in de Nederlanden. Hoogtepunt was de synode die in 1571 in de stad werd gehouden, en waaraan gereformeerden uit de Nederlanden zelf en uit de vluchtelingengemeenten uit de Paltz deelnamen. De synode nam een aantal beslissingen over de leer en de kerkelijke organisatie, waarbij een bestuurlijke structuur werd opgezet voor het geval de gereformeerden in de Nederlanden vrijheid van godsdienst zouden krijgen.

Opvallend was dat met de keuze van een aantal zuiver gereformeerde belijdenisgeschriften de synode zich afkeerde van de diplomatieke pogingen van Willem van Oranje om de Nederlandse protestanten te binden aan de lutherse Confessie van Augsburg. De aanhangers van deze geloofsbelijdenis genoten in het Duitse Rijk erkenning als een van de officiële religies en via diplomatieke druk zou dat wellicht ook in de Nederlanden te bereiken zijn. Oranje had ook graag gezien dat de synode zich had uitgesproken over het recht van opstand tegen een onrechtvaardig heerser, maar de synode weigerde zich zo duidelijk politiek vast te leggen.

Al deze regelingen zouden binnen enkele maanden hun nut bewijzen. In het voorjaar van 1572 viel Den Briel in handen van de Watergeuzen. Onder druk van hun militaire macht sloten grote delen van Holland zich bij de Opstand aan. Dit alles werd ijverig gesteund door de vluchtelingen-gemeenschappen, waaronder die van Emden. Het was echter niet de gehele stad die de Opstand in de Nederlanden steunde. De graven probeerden nog steeds hun neutraliteit op te houden. Een deel van de inwoners van de havenstad profiteerde zelfs van de kans de Spaanse belegeraars van Haarlem en het koninklijk garnizoen in Amsterdam te bevoorraden.

Als represaille blokkeerden de opstandelingen daarop drie jaar lang de haven van Emden. Hierop volgde een uittocht van Hollanders, voor wie het nu niet langer loonde in hun toevluchtsoord te blijven. Tussen 1580 en 1587 legde de Republiek wederom een blokkade. Dit keer om te voorkomen dat vanuit Oost-Friesland Groningen, een Spaans bolwerk na de overgang van Rennenberg, bevoorraad werd. Desondanks bleef Emden echter een belangrijke haven. In de voorgaande jaren van voorspoed was een sterke infrastructuur opgebouwd waardoor de stad onmisbaar was geworden voor het Duitse achterland. Ondertussen ging Emden ook door met de opbouw van de gereformeerde kerk in de Nederlanden. Deze hulp werd echter van steeds minder belang, aangezien de Nederlanden kerkelijk in hoog tempo zelfvoorzienend werden.

INTERN CONFLICT

De betrokkenheid van Emden bij de politieke en religieuze omwentelingen in de Nederlanden was in de winter van 1554 welhaast toevallig begonnen. In een kwart eeuw was het aanzien van de stad daardoor spectaculair gewijzigd. De wederzijdse banden verdwenen niet met de terugkeer van de ballingen naar hun eigen land. Integendeel: aan het einde van de zestiende eeuw greep de Republiek hardhandig in toen een intern conflict Oost-Friesland verscheurde. Tussen de lutherse graaf Edzard en het gereformeerde bolwerk Emden waren grote, goeddeels politieke spanningen gerezen. In aansluiting bij haar stedelijke aspiraties verlangde de stad een grotere mate van zelfbestuur dan de graaf wenste toe te staan.

Een religieuze kwestie bracht het conflict tot uitbarsting. Emden kwam in opstand toen graaf Edzard dreigde gereformeerde kerkdiensten onmogelijk te maken. Het stadsbestuur riep daarop de hulp in van Nederlandse troepen. Het gevolg was dat bij het verdrag van Delfzijl in 1595 Edzard moest buigen onder de wensen van zijn gereformeerde onderdanen. Een Nederlands garnizoen bleef om toe te zien op de handhaving van het verdrag én om te voorkomen dat de officieel neutrale haven de lucratieve handel met de Spaanse vijand van de Republiek zou hervatten. Emden was aan het einde van de zestiende eeuw nog steeds belangrijk genoeg om zo'n onderneming te rechtvaardigen.

    • Joke Spaans