Heiner Müller en het "recht op lafheid'

ROTTERDAM, 5 JUNI. “Waarom zou ik geen pogingen hebben ondernomen om mijn invloed te doen gelden?” Voor de Oostduitse schrijver Heiner Müller is het vanzelfsprekend geweest dat hij ten tijde van de vroegere DDR contacten heeft onderhouden met een officier van de geheime dienst. In de culturele bijlage van de Frankfurter Rundschau van deze week gaat hij voor het eerst uitgebreid in op zijn dubbelzinnige rol binnen de Oostduitse kunstwereld.

In het paginagrote interview omschrijft Müller de Stasi in de tijd van de DDR als een soort adviesbureau van de partij dat erop uit was openlijke conflicten te vermijden. “Ze wisten meer, hadden meer informatie dan de partijfunctionarissen.” Hij zag daarom geen beletsel om een paar keer per jaar met een contactofficier van gedachten te wisselen over culturele politiek. Hij erkent, dat hij zich op die manier misschien heeft laten gebruiken voor het stabiliseren van het systeem. Müller geeft toe dat hij een enkele keer ook heeft geadviseerd bepaalde maatregelen te nemen. Maar ook daarin was hij te goeder trouw. Toen hij bijvoorbeeld de uitwijzing van de dichter Dieter Schulze bepleitte wist hij dat deze anders in de gevangenis zou komen. Müller: “Dat advies kan men mij verwijten, maar ik zag een DDR-tuchthuis niet als een dichtersacademie.”

Op de vraag waarom hij over deze activiteiten niets heeft geschreven in zijn vorig jaar verschenen autobiografie zegt Müller dat er “een mensenrecht op lafheid” bestaat. “Ik heb daarvan gebruik gemaakt in het toenmalige klimaat.” Volgens Müller heerste er vorig jaar een vijandige stemming in de pers. Hij verwijst daarbij naar de filosoof Martin Heidegger die na de oorlog nooit heeft willen ingaan op zijn rol in de Nazi-tijd. “Elk gesprek hierover zou tot nieuwe misverstanden hebben geleid. Dat is nu eenmaal niet te voorkomen.” Müller geeft toe nog steeds niet alles te willen zeggen: “Ik weet zeker dat, als ik echt zou zeggen wat ik denk, dit beter pas na mijn dood bekend zou kunnen worden.”