HARD ROEPEN EN DAN WEGLOPEN

Over kennis. Twee dialogen door Paul Feyerabend 126 blz., Kok Agora / DNB Pelckmans 1993, f 27,50 ISBN 90 391 0541 3

De dialoog heeft in de filosofie een respectabele traditie. Dit is in de eerste plaats aan Plato te danken: hij goot bijna al zijn gedachten in de vorm van een gesprek dat hij Socrates met leerlingen en omstanders liet voeren. In enge zin is een dialoog een tweespraak. Ook bij Plato, want hoewel Socrates vaak met verschillende gesprekspartners praat, gaat het in feite altijd om Socrates tegen de rest van de wereld.

Veel filosofen hebben de dialoog gebruikt om hun wijsgerig systeem op een levendige manier te illustreren. Maar omdat zulke gesprekken meestal een specifieke boodschap hebben, die door één van de deelnemers wordt vertolkt, houden ze iets belerends en kunstmatigs; in feite zijn het monologen met klankbord.

Het aardige van de eerste dialoog in Paul Feyerabends Over kennis is, dat er verschillende stemmen in spreken, zonder dat ons één ondubbelzinnige mening wordt opgedrongen. Hierin doet dit gesprek aan werk van Diderot denken, een meester in het soort dialogen dat de lezer tot meedoen prikkelt.

Plaats van handeling is een onderwijsruimte aan een universiteit, waar een werkgroep studenten zich aan kennistheorie wijdt. Zo hebben we Arnold, een serieuze student met bril, Maureen die aanvankelijk in de waan verkeert bij een college over postmodern koken te zitten, de bejaarde Seidenberg, een Chinese student wis- of natuurkunde, de logicus Jack, de verlegen Gaetano, enzovoort.

Buiten zijn twee graafmachines bezig een diep gat te graven. Op het moment dat dr. Cole wil beginnen, produceren de machines een enorm geloei. Ik vind dat nogal geestig. Niet alleen omdat er hier in Nederland de laatste jaren zo enorm veel wordt verbouwd aan, in en rondom instituten voor filosofie, ook niet alleen omdat in dit geval de filosofie haast letterlijk wordt ondermijnd, maar vooral door de gewekte suggestie dat diep graven in figuurlijke zin veel lawaai maakt en weinig oplevert.

De werkgroep verhuist naar een andere ruimte, zonder ramen en met erg ongemakkelijke stoelen. Nu heeft Feyerabend de gesprekspartners waar hij ze hebben wil: op elkaar aangewezen en niet al te vast op hun plaats.

Het onderwerp van vandaag is de Theaetetus van Plato. Hoewel de studenten aan een analyse van deze moeilijke dialoog over kennis slechts zijdelings toekomen - tot wanhoop van dr. Cole - geeft het onderwerp al aan dat er serieuze zaken aan de orde zijn. Spoedig discussiëren de studenten over het dialoogkarakter van Plato's filosofie.

ILLUSIE

Eén van hen beargumenteert waarom je van een filosofisch gesprek meer opsteekt dan van een afgerond wetenschappelijk artikel. ””Toen de wetenschapsfilosoof Kuhn de nog levende deelnemers aan de revolutie van de quantummechanica interviewde'', zo betoogt hij, ””herhaalden ze aanvankelijk wat er in druk was verschenen. Maar Kuhn had zich goed voorbereid. Hij had brieven en niet-officiële rapporten gelezen, en die vertelden iets heel anders. Hij bracht dat in het midden en langzamerhand begon men zich te herinneren wat er echt was gebeurd.''

Hier klinkt duidelijk de stem van Feyerabend mee, de schrijver van het destijds spraakmakende Against Method (1974). In navolging van Thomas Kuhn noemde hij de opvatting dat wetenschap zich op een rationele manier ontwikkelt een illusie. Alleen de reconstructie suggereert later, dat wetenschappers volgens vaste methodes voortschrijden over de weg van Rationele Vooruitgang. In werkelijkheid zijn steeds persoonlijke, sociale en toevallige factoren doorslaggevend.

Vooral Karl Popper moest het toen ontgelden. Zijn idee van wetenschap als een rationeel proces, waarin hypotheses worden getoetst, en verworpen in geval van een steekhoudend tegenvoorbeeld, bleek te mooi om waar te zijn. De radicaalste kritiek kwam van Feyerabend, die wetenschap als chaos en willekeur beschreef en bovendien onder de leuze anything goes een wetenschappelijk anarchisme voorstond waarin alles mogelijk was, zolang er maar enige controle van de samenleving op de praktijk van wetenschap gehandhaafd bleef.

In deze hoogoplopende discussies belandde Feyerabend evenwel snel in de marge. Niet zozeer door zijn extreme opvattingen als wel door zijn geringe bereidheid deze opvattingen te verdedigen. Achteraf bezien is dat een begrijpelijk gevolg van zijn vergaande relativisme: wie universele principes ontkent en niks wil weten van criteria om over kennis te praten, voelt zich niet geroepen eindeloos in tijdschriften en op congressen over wetenschap te debatteren.

Die als nonchalance gepresenteerde desinteresse voor je opponenten getuigt echter niet van een overdaad aan intellectuele moed. Iets dergelijks blijkt ook uit de tweede dialoog van Over kennis. Hierin treedt Feyerabend ongemaskerd op, waarmee zo'n monoloog-met-klankboord-effect ontstaat. Hij heeft hier kritiek op andere filosofen (zoals Kuhn, Popper en Richard Rorty), maar zegt tegelijk dat hij geen deskundige is, het niet wil zijn en dat hij zich zelden met filosofie bezig houdt. Dat is toch wat makkelijk: eerst iets roepen en dan hard wegrennen!

HERSENSCHIM

Een debat is volgens Feyerabend geen reis ””op een duidelijk herkenbare weg''. ””Elk deel'', zo onderwijst hij zijn gesprekspartner, ””kan een hersenschim blijken te zijn, en zelfs als dat niet het geval is, zelfs als jij en anderen vaste grond onder de voeten hebben, ben je er in het geheel niet zeker van dat het geen droom is.'' Zulk scepticisme is in de wijsbegeerte net iets te vaak opgediend om nog indruk te maken.

In discussies over wetenschap doet Feyerabend dan ook nauwelijks meer mee, al blijft zijn onconventionele benadering soms verfrissend. Zo wierp zijn vergelijking tussen kunst en wetenschap in Wissenschaft als Kunst (1984) op beide gebieden wel enig nieuw licht. Ook is zijn allergie voor theorievorming niet van elke actualiteit gespeend als we denken aan de theorie-vijandige deconstructivisten onder literatuurwetenschappers en filosofen in de Verenigde Staten en elders.

Feyerabends opvatting van filosofie is overigens zeer van deze tijd. Hij noemt de filosoof een ””universele dilettant die dingen in perspectief probeert te zien en mensen ervan probeert te weerhouden anderen hun opvattingen op te dringen, of het nu gebeurt via argumenten of met andere dwangmiddelen (-) maar datzelfde geldt voor journalisten en toneelschrijvers.'' Dat komt dicht bij wat de tegenwoordig zo populaire Rorty over de mij iets te vrijblijvende rol van de filosofie verkondigt.

De twee dialogen in Over kennis vormen geen sterke verdediging van Feyerabends relativisme, noch een met nieuwe argumenten opgetuigde aanval op ”wetenschap' en ”theorie'. Maar de eerste dialoog biedt wel een toegankelijke inleiding op recente discussies over wetenschappelijke kennis. Aan de ijverige student Donald, die na afloop van dit beweeglijke gesprek misprijzend achterblijft omdat hij geen aantekeningen heeft kunnen maken, is dit niet besteed. Die had beter bij Feyerabends meer pedante college van de tweede dialoog kunnen zitten.