HANS WARREN

Hans Warren (1921) publiceerde sinds 1946 vele bundels gedichten waaruit onlangs een ruime keuze werd bijeengebracht in "Nakijken, dromen, derven'. Hij is de samensteller van kalenders en van de "Spiegel van de moderne Nederlandse poëzie', waarvan deze week een herdruk verscheen. Hij bespreekt boeken voor de Provinciale Zeeuwse Courant en andere GPD-bladen, hij vertaalde Franse en Griekse literatuur, maar werd vooral bekend door zijn "Geheim dagboek' waarvan nu tien delen verschenen zijn over de periode 1942-1975. Zijn nieuwste werk is de novelle "Indigo'. Hans Warren woont samen met zijn vriend Mario Molegraaf in het Zeeuwse dorp Kloetinge.

Woensdag 26 mei

""Schrijf je je dagboek, nu je weet dat het gepubliceerd gaat worden, met een andere instelling dan vroeger?'' is een vraag die me vaak gesteld wordt. Het antwoord luidt: Nee. Ruim een halve eeuw houd ik dagboek zoals ik ademhaal, ik wil niet zeggen zonder na te denken, maar vanzelfsprekend. Een dagboek op bestelling, zoals dit "Hollands Dagboek' heeft voor mij iets kunstmatigs. Nu voel ik me op de vingers gekeken, doe ik bewust een ademhalingsoefening, speel ik zo eerlijk mogelijk mezelf.

Ik heb, om met de Dordtse dichter te spreken, de nieuwe haring weer gehaald. En ik haalde de zeekraal weer, de vollegrondsasperges, de piepkleine tuinboontjes en de lamsoren - mijn lievelingsgroenten. Zeekraal, zeekoraal - nee, hoort niet tot de fruits de mer, Madame - en vooral lamsoren op de menukaart zorgen nogal eens voor vragen in de Zeeuwse eethuizen.

Het mooie jonge meisje, avondje uit met haar vriend op Schouwen: ""Carré d'agneau, alstublieft, maar... op een bedje van lamsoren... hoezo?'' Ik zag voor me wat zij vreesde en luisterde mee naar de uitleg van de gastvrouw: ""Het is een spinazie-achtige groente, de zee-aster, die op zilte gronden groeit.'' Later smulde het meisje, à l'anglaise, een ribje elegant in de hand, van het lamsvlees. Maar ook ik denk liever niet aan het lammetje tussen de pinksterbloemen, zijn naar me toegewende vriendelijke, roze-doorschenen oortjes, zijn snerpende ""Bèèè!'

Donderdag

Vanmiddag hadden M. en ik een afspraak met Mai Spijkers op uitgeverij Bert Bakker. We maakten een omweg via Haarlem om de Judith Leyster-tentoonstelling te bekijken. Ik heb al jaren plannen een bundel gedichten te schrijven over bijzondere vrouwen. Van Sapfo, Kleopatra, Anna Komnena, via Joséphine en Hortense de Beauharnais tot Greta Garbo, Maria Callas en anderen. Van de schilderessen denk ik aan Tamara de Lempicka, Romaine Brooks, Frida Kahlo, Georgia O'Keeffe - kunstenaressen die geen schaduwfiguren waren van een man, maar originele talenten met een eigen stijl.

Natuurlijk had ik in de loop van mijn leven al vrij veel Leysters of vermeende Leysters gezien, maar deze overzichtstentoonstelling zou de kans bieden voor de uiteindelijke evaluatie. Judith Leyster, hoe interessant ook, blijft een figuur van de zoveelste garnituur en is volstrekt ondenkbaar zonder Frans Hals. Slap, spanningloos. Zelfs in haar meesterwerk, De jonge fluitspeler. Onder haar gezichten zit geen schedel, onder haar figuren geen lichaam. Een enkele maal intrigeert zij, zoals in Gulzige drinkers, tenminste nu die vriendelijke Magere Hein weer te voorschijn gekomen is vanonder de overschilderingen. Zo te zien en te horen waren er opmerkelijk veel feministen en potten onder de bezoekers. Ik vrees dat Judiths hernieuwde faam op verkeerde gronden berust.

Bij Mai gingen we de eerste delen van de Plato-vertaling die M. en ik gemaakt hebben inleveren en het betreffende contract tekenen. Het ligt in de bedoeling jaarlijks een paar delen uit te brengen en het geheel in 2002 te voltooien. Ik heb altijd gehoopt ooit een brief te kunnen dateren 1 januari 2000, en zie nu ben ik contractueel verplicht het jaar 2002 te halen. Redacteur Thijs B., met wie ik een paar jaar prettig heb samengewerkt, gaat helaas weg bij de uitgeverij. Ik werd voorgesteld een Plien van A., zijn opvolgster, met wie het gelukkig onmiddellijk klikte. Als schrijver en redacteur moet je immers aan een half woord, een zinspeling genoeg hebben.

We liepen ook nog even bij Meulenhoff langs, nieuwsgierig of de derde druk van de Spiegel van de moderne Nederlandse poëzie al verschenen was. En jawel, Marijke B. kon ons twee pakjes aanreiken. In de tram pakten we er haastig één uit, voor mij na zoveel boeken en zoveel herdrukken nog altijd een feestelijke bezigheid. Het register van de bloemlezing is bijgewerkt tot maart, en zou alwéér aanvulling behoeven: dichter B.A. overleed en mij werd onthuld dat de dichteres A.E. in werkelijkheid C. S.-B. heet.

Vrijdag

Vrijwel de hele dag gewerkt voor de literaire pagina van de Provinciale Zeeuwse Courant. Ook een vraag die me vaak gesteld wordt: ""Heb je er niet genoeg van de Nederlandse literatuur te bespreken, na zoveel tijd?'' Het antwoord luidt opnieuw: Nee. Ik doe het nu eenenveertig en een half jaar en ik heb er nog steeds aardigheid in bij een zo breed mogelijk publiek aandacht te vragen voor "Onze Letteren'. Wat een plezier brengt het soms, zoals de uurtjes doorgebracht met Kwadraats Groot Vakantieboek, gemaakt door Arnold Hitgrap (een doorzichtig anagram) en zijn kornuiten. Een knettergek feuilleton over een bijeenkomst op een camping ergens in Groningen, waar nu eindelijk eens zal worden uitgemaakt wie de beste schrijver van Nederland is. Tussen de afleveringen door allerlei literaire spelletjes, grappen, tekeningen, foto's. Maar om op het woord van de grote dichter te variëren: vaak ook is het zo droevig in een recensenten-leven. Bijvoorbeeld als je je in Het Literaire Klimaat 1986-1992 moet verdiepen. Een en al pretentie en van even groot belang als het weerbericht van eergisteren.

Zaterdag

Nooit ben ik in Indonesië geweest, misschien zal ik er ook nimmer komen. Toch is het land me zo vertrouwd, dat ik zelfs Tjalie Robinson er nauwelijks van kon overtuigen dat ik geen Indonesische achtergrond heb. Maar je leerde op de blinde kaart in de jaren twintig de vulkanen en rivieren van Java, ik had een oom in Batavia die typisch Indische cadeautjes stuurde en m'n lievelingsboek was Flips Indische Lotgevallen van N.K. Bieger. Indië en Indische mensen trokken me. Vanaf de tijd dat ik me permitteren kon mooie dingen te kopen, verzamel ik Indonesisch antiek, van primitieve voorouderbeelden uit de buitengewesten tot verfijnde hofkunst.

Een van de zaken waar ik graag kom ligt in een wijk die M. "The Rotterdam Bronx' noemt. Veel winkels met exotische vruchten en snoeperijen, gespecialiseerde bakkers en slagers. Donkere mensen bepalen er het straatbeeld. Mooie mensen, ik kan mijn ogen niet van een Surinaams meisje afhouden, ze is zo sierlijk, zo prachtig gekleed, een hertje. Ze loopt als een godin. Ze merkt dat ik haar bewonder en gelukkig, haar blik seint niet "vieze ouwe kerel kijk voor je', maar straalt: "heerlijk jong te zijn, zo te heupwiegen, te bekoren'.

In die buurt is de galerie van Henk K. gevestigd. Hij is gespecialiseerd in Indonesisch, je kunt bij hem terecht vanaf wierookstokje tot en met museumstuk. Ik had beloofd vandaag tegen winkelsluiting langs te komen om kennis te maken met zijn nieuwe vriend Didin H., pas uit Indonesië overgekomen. Die spreekt en leest nog geen woord Nederlands, en dat bleek gevolgen te hebben waar je niet mee rekent.

Toen ik om wat mineraalwater vroeg, verdween Didin even naar boven en kwam terug met het glas keurig op een presenteerblaadje, ijsblokjes erin, één en al glimlach: ""I saw mister Hans on television!'' Ik nam dorstig een flinke slok, wou iets aardigs antwoorden, maar had al mijn zelfbeheersing nodig om niet te hoesten en te spugen, wat was dit voor water? Een blik op het etiket van de fles: Natuurazijn.

Ik kocht een paar 19e-eeuwse Balische wayang-poppen, waaronder drie bosgeesten die net als hun collega's uit Europa gekenmerkt worden door dierlijkheid en enorme genitaliën. We gingen dineren in "Parkheuvel', een van die schromelijk overschatte restaurants waar ons land vooral boven de grote rivieren rijk aan is. Ik kreeg in m'n leven al heel wat slecht toebereide kreeft voorgeschoteld, maar die in "Parkheuvel' overtrof alle andere in taaiheid, smakeloosheid en prijs.

Zondag en Maandag, Pinksteren

Zeeland is overstroomd door 325.000 toeristen, de bevolking is opeens verdubbeld. Alle mooie plekjes zijn verstikt door auto's, caravans, campers, jachtjes, surfers, waterski's, er zit niet anders op dan ons terug te trekken. Het is trouwens de hoogste tijd het elfde deel van het Geheim dagboek persklaar te maken, ik heb Mai S. beloofd de tekst op 1 augustus in te leveren. Voor mij zijn die oude dagboeken óók geheim geworden. Terugbladeren is zoiets als meegevoerd worden in een tijdmachine en bezorgt me menige schok.

Er is meer: de grasvelden dienen gemaaid en het hok van de zwerm Saksische Witstaartduiven, er zijn er tachtig, moet gereinigd. Het huis - 17e-eeuws, dat betekent stof, stof, stof - met bezemen gekeerd. En met plezier speel ik zelf weer eens "patron au fourneau'. Koken is een van mijn liefhebberijen en M. de dankbaarste eter ter wereld. Tot slot van de dag luister ik een uur naar sonates van Scarlatti en ondertussen verlaten de toeristen in hun files de provincie. Vanaf morgen is Zeeland weer een poosje voor de Zeeuwen.

Dinsdag

Onze tuin, hoewel niet groter dan een kwart hectare, is nog steeds een vogelparadijs, maar ik vrees dat de overvloed schijn is. Door de kaalslag alom is het terrein met de vele bomen, braam- en brandnetel-woekeringen een toevluchtsoord. Toch zijn er soorten verdwenen. Er wonen geen kerkuilen meer in de grote schuur van "Welgelegen', geen steenuiltjes in de wilgen bij de sloot. Ik hoor nooit meer een kwartel slaan op de velden voor het huis, er zingt geen geelgors, en zelfs de leeuwerik is schaars geworden.

Ieder jaar denk je: zouden die zomergasten die van zó ver voor zó korte tijd over de halve aardbol trekken de gevaren nog doorstaan? Of is het voor het laatst geweest? Dan opeens hoor je ze: de vrolijke koekoeksroep eind april en half mei het schrille gepiep van de grauwe vliegenvangers. Dat de vliegenvangers naar mij komen, naar datzelfde huis, naar dezelfde muur, naar hetzelfde speciaal voor hen opgehangen nestkastje beschouw ik als een voorrecht. Nou ja, voorrecht. Je tobt over de mussen die hun nestkast willen kraken, over de rondzwervende katten die de vogels uitmoorden. En buiten zitten is er ook niet meer bij. Zodra we in de tuin komen, waarschuwen ze snerpend en oorpijnigend tot we op de vlucht slaan. Van achter 't glas mogen we hun elegante vliegenvangerscapriolen gadeslaan. Alle mooie vlinders, zo zeldzaam geworden, oh, die laatste gehakkelde aurelia - een zilvergrijze flits, een luchtballet op leven en dood, snàp, weg vlinder.

En koekoek, verrukkelijke zoete koekoek, zó juichend begroet, hou alsjeblieft ook eens éven op, ik word dol van je als je van 's morgens vijf tot na zonsondergang koekoekt.

Vliegenvangerseitjes komen snel uit, de jongen groeien hard, verlaten het nest, zwerven nog een dag door de bosschages, dan trekt de familie weg. We kunnen de tuin weer in, zijn verlost van het vreselijke gepiep. Nog een maand en je hoort ook geen koekoek meer. Dan volgen minstens tien maanden van wachten en verlangen.

Woensdag 2 juni

Sinds de snelweg naar Antwerpen geopend is, nemen we zelden meer de zoveel mooiere route via Hoogerheide. We missen dan de overdadig bloeiende rododendrons, de joodse begraafplaatsen en het monument voor Jacob Jordaens recht tegenover de kerk van Putte. Denkend aan Jordaens zie ik kwabbige naakte vrouwen de benen over elkander slaan. Ze hebben vuile voeten. Maar ik groette hem altijd.

Vandaag, op pad naar zijn tentoonstelling in de Sinjorenstad, reden we de oude weg en stapten uit bij dat gedenkteken, samengeflanst uit een bronzen borstbeeld uit de vorige eeuw en een paar overeind gezette 17e-eeuwse zerken. Maakten nog een omweg dwars door de Kalmthoutse Heide. Daar speelt een van de oudste Nederlandse misdaadverhalen, Het Wolvenspoor van J.B. Christemeijer uit 1828. Het slachtoffer was een meisje uit Kloetinge, zoiets schept een band. Er loopt nog steeds een Wolvenpad, maar de roofdieren verdwenen. Er slaan veel vinken, er jodelen wulpen boven vennen vol wollegras.

De tentoonstelling bevestigde wat ik al lang wist. Een paar mooie tekeningen, een goede kop hier en daar, zoals van de oude, pokdalige Grapheus, of een met liefde geschilderde dienstmaagd. Maar verder een slachthuis van lillend vrouwenvlees.

Om van de schrik te bekomen gingen we eten in het restaurantje van Katrien D. in Kapellen. Eenvoud daar, ouderwetse Vlaamse hartelijkheid, perfect eten. Iedere keer lijken de gamba's a la plancha er groter en lekkerder. En Katrien, mooi, altijd naar de laatste mode gekapt, beantwoordt gelukkig niet aan Jordaens' schoonheidsideaal. In het Kapelse dialect eindigt alles op -ke, van het vissoepke tot het sabayonneke. Het eethuis heet natuurlijk 't Leeuwke. We dronken een fles Meursault. Zo'n wijn die als een paar andere beruchte heerlijkheden tegelijk ook aan heel vieze dingen doet denken. Alsof je... Maar nu treed ik in details die pas aan de orde komen in Geheim dagboek, omstreeks deel 19.