Generaals weinig verrassend over Europese veiligheid

Het Generaalsdebat, Ned.3, zondag 21.37-23.07u.

Niemand lijkt zich zo bewust te zijn van de beperktheid van de mogelijkheden van een leger als juist een generaal. De drie generaals en de ene maarschalk die bij elkaar gebracht zijn door de VPRO voor het Generaalsdebat dat zondagavond wordt uitgezonden, bevestigen die gedachte met viervoudige nadruk. Generaal Shalikashvili, opperbevelhebber van de NAVO-strijdkrachten in Europa, generaal Naumann, opperbevelhebber van het Duitse leger, maarschalk Sjaposjnikov, opperbevelhebber van de strijdkrachten van het GOS, en generaal Van der Vlis, chef van de Nederlandse Defensiestaf, spreken onder voorzitterschap van Christoph Bertram, redacteur van het Duitse weekblad Die Zeit, over de mogelijkheden en vooral de onmogelijkheden van militair optreden.

Het einde van de Koude Oorlog heeft van Europa - want op dat werelddeel concentreert zich het grootste deel van de discussie - een buitengewoon onoverzichtelijk continent gemaakt. In die diffuse situatie slagen politici er veelal niet meer in duidelijke doeleinden te formuleren, zoals het verloop van de oorlog in het voormalige Joegoslavië wel duidelijk heeft gemaakt. In dergelijke situaties kan van militairen of van militaire organisaties niet verwacht worden dat zij een reddende hand toesteken. Als de doeleinden niet duidelijk zijn, kunnen de middelen, hoe rijkelijk ze ook voorhanden zijn, gewoon niet aangewend worden. Generaals hebben een vak en de vier blijken zich ter dege bewust van de grenzen van hun vak. Zij zien gewoon geen mogelijkheden om militaire oplossingen te bieden waar de politiek in gebreke blijft.

Christoph Bertram maakt zich in het debat tot tolk van het algemene gevoel van onmacht en onbehagen over het verloop van de strijd in Bosnië-Herzegovina door de generaals de vraag voor de voeten te werpen of ze daarmee eigenlijk niet op de loop gaan voor de uitdagingen van de veranderde situatie. Maar de vier houden vast aan de stelling dat het primaat bij de politiek ligt. Zolang de politiek zwijgt, houden ook de militairen zich stil.

Het debat lijdt door de keuze van de gesprekspartners aan een zekere onevenwichtigheid. Eigenlijk wordt het ook geen echt debat: er zitten drie NAVO-generaals aan tafel, die het hevig met elkaar eens zijn, en één Rus. Dat roept onwillekeurig de vraag op hoe het gesprek bij voorbeeld verlopen zou zijn als ook een van de leden van het voormalige Warschaupact aan tafel vertegenwoordigd geweest zou zijn. In een aantal Midden-Europese landen is het geloof in de mogelijkheden van de NAVO groter dan in de huidige zestien lidstaten. Eventuele uitbreiding van de atlantische veiligheidsgaranties in oostelijke richting, zoals onlangs nog bepleit door de Duitse minister van defensie, Volker Rühe, als middel om de veiligheid in Europa te versterken, blijft dan ook vrijwel buiten beeld.

Uitgebreid wordt ingegaan op de kwestie van dienstplicht of een volledig beroepsleger, maar de uitlatingen daarover leveren weinig verrassende inzichten op. Wel geeft maarschalk Sjaposjnikov en passant een aardig zicht op de manier waarop de Russische dienstplicht werkt, of liever gezegd: niet werkt.

De samenstellers van het programma hebben door de eerste vraag, waarom de vier generaals - die alle vier aan het eind van de jaren vijftig het uniform aantrokken - voor een militaire carrière kozen, en de laatste vraag naar de beroepskeuze van hun zonen het gesprek een cyclische opbouw gegeven, waardoor vermeden is dat het als een nachtkaars uitgaat. Dat persoonlijke, relevant of niet relevant, hoort kennelijk steeds meer bij televisie. Maar ook al glundert maarschalk Sjaposjnikov anderhalf uur lang, optimistischer word je niet gestemd door dit gesprek.