DUWEND EN TREKKEND DOOR HET BRUSSELS LABYRINT

Nederlandse lobby's in Europa door prof.dr. M.P.C.M. van Schendelen (red.) 336 blz., Sdu 1993, f 49,90 ISBN 90 12 08022 3

"Een lange boze droom', zo blikt de Brusselse consultant Wynold Verwey terug op de lobby die onder andere Philips de afgelopen jaren heeft gevoerd voor de invoering van HDTV (Hoge-definitie televisie) in de EG. Het was een grotendeels mislukte lobby. Philips had zowel de Europese Commissie als de meeste lidstaten achter zich verenigd, maar toch viel een door Brussel te financieren actieprogramma voor de introductie van HDTV in duigen door hardnekkig verzet van Groot-Brittannië. Dat land verwees het HDTV-dossier ""naar de eeuwige EG-jachtvelden' omdat het een ideologische afkeer heeft van staatsinmenging in de economie, omdat het gastheer is van enkele grote Japanse elektronika-ondernemingen en omdat sommige Britse satelliet-exploitanten, onder wie Rupert Murdoch, gruwen van HDTV.

De HDTV-lobby van Philips was ""koel, afstandelijk en officieel', beschrijft Verwey. Die aanpak past perfect binnen de cultuur van de onderneming: vooral opereren achter de schermen, zoveel mogelijk werken langs officiële kanalen, op een zo hoog mogelijk niveau insteken, geen beroep doen op de publieke opinie, contacten beperken tot de hoogstnoodzakelijke en bij dat alles de nadruk leggen op een technische benadering van het probleem.

Faalde de Philips lobby nu omdat die veel te technisch was, zoals vaak wordt beweerd? Verwey denkt van niet. ""Philips heeft zich er terecht van verzekerd dat de technische kanten pico bello waren', betoogt hij. Voor een goed en solide lobbydossier is perfecte kennis een conditio sine qua non. Zonder dat wordt de lobbyist binnen de kortste keren aan de kant gezet als ""onbetrouwbaar'.

Toch kan men er niet om heen dat het HDTV-dossier langzaam maar zeker Philips en zijn bondgenoten - onder wie voormalig EG-commissaris Pandolfi die vanuit Brussel persoonlijk het HDTV-dossier behandelde - is gaan dicteren in plaats van andersom, beaamt Verwey. ""Te veel partijen kregen gaandeweg de gelegenheid de messen te slijpen en de discussie uit het door Philips beheerste technische domein te trekken. Tijdige aandacht voor de publieke opinie en vroegere acties naar het Europese Parlement hadden de Europese ministerraad wellicht meer tegengas kunnen bieden'.

PROFESSIONALISERING

De analyse van Verwey staat in het onlangs verschenen Nederlandse lobby's in Europa, een verzameling artikelen over praktijkervaringen van vertegenwoordigers van Nederlandse bedrijven, branche-organisaties en overheden in Brussel bij hun pogingen om regelgeving te benvloeden of om gewoon subsidies of opdrachten binnen te halen. De bijdragen worden ingeleid en van een afsluitend hoofdstuk voorzien door dr M. P. C. M. van Schendelen, hoogleraar politicologie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, die zich al sinds jaar en dag inzet voor de emancipatie en professionalisering van het lobbywezen.

Naar schatting zijn de afgelopen jaren in de hoofdstad van Europa meer dan 3.000 belangenorganisaties neergestreken, met in totaal zo'n 10.000 werknemers, die zo dicht mogelijk bij de Europese besluitvorming betrokken willen zijn. Hun aanwezigheid duidt er op dat ze de Europese besluitvorming serieus nemen, stelt Van Schendelen. ""Om hun fortuim te begunstigen, pompen zij voortdurend ideeën, informatie, argumenten en verzoeken het Europese politieke stelsel binnen. Automatisch creëren zij aldus hechtere verbindingen tussen "Brussel' enerzijds en stad en land in de wijde Gemeenschap anderzijds'.

Waar het Europese Parlement wel invloed maar nauwelijks bevoegdheden heeft, en waar de Europese ministerraden in grote geheimzinnigheid besluiten nemen waarover de bewindslieden in hun nationale parlementen geen verantwoording hoeven af te leggen, trekken de lobbyisten zich niets aan van een "democratisch deficit' in Europa. Zij worden ervoor betaald om de weg te leren kennen in het chaotisch labyrint van de Brusselse besluitvorming en om de kloof tussen hun opdrachtgevers en de Europese besluitvormers te dichten.

Zo'n praktijkman is bijvoorbeeld Julius Hosman, manager Europese Zaken bij het staalconcern Hoogovens. Voor hem bleken niet alleen de Britten, maar uiteindelijk ook de eigen Nederlandse regering de grootste sta-in-de-weg te zijn bij de pogingen om werelwijd overeenstemming te bereiken over terugdringing van staatsprotectie in de staalsector. Hoogovens is door zijn relatief kleine thuismarkt sterk afhankelijk van export, en dus heeft het concern veel last van overheidssteun die elders in de EG en in de wereld aan staalbedrijven wordt gegeven. Daarom concludeerde Hoogovens eind van de jaren tachtig dat ""een creatief initiatief' nodig was ""om een nieuw perspectief te openen op een waarlijk vrije en eerlijke concurrentie op de internationale staalmarkt'.

OP EIGEN HOUTJE

Als oplossing bedacht Hoogovens de "Gatt-plus formule'. De idee was om in de wereldhandelsorganisatie GATT harde afspraken te maken over afschaffing van staatssteun in staalsector, analoog aan een soortgelijk verbod in de EG. Maar Hosman wist ook wel dat het initiatief geen kans van slagen zou hebben als Hoogovens op eigen houtje naar de Europese Commissie in Brussel zou stappen. Daarom ging hij eerst praten met het Franse Usinor-Sacilor, de grootste staalproducent in de EG die al enkele jaren de voorzitter van de overkoepelende organisatie Eurofer levert. Daarna ging hij op missie bij zijn Duitse en Britse collega's.

Hosman moest ""praten als Brugman', maar alle inspanningen loonden. ""Het overreden van de Belgische, Luxemburgse, Spaanse en Italiaanse staalindustrie konden we taktisch gezien beter aan de grote Franse en Britse ondernemingen overlaten. Het tij binnen Eurofer keerde toen snel. De organisatie stelde zich achter ons oorspronkelijke plan. De Europese Commissie werd enige maanden later verrast met een juridisch geheel uitgewerkt voorstel van Eurofer van wat wij noemden "een multilaterale staalconsensus', een GATT-plus formule'.

Nog enkele maanden later kwam de EG-commissie zelf met een officieel voorstel naar buiten, gebaseerd op het plan van Eurofer, om in de GATT het initiatief te nemen voor onderhandelingen over afschaffing van overheidssubsidies aan staalbedrijven. Daarmee leek de lobby van Hoogovens uit te monden in een groot succes.

KORTZICHTIGHEID

Helaas, stelt Hosman nu bitter vast, hebben enkele lidstaten, waaronder Nederland en Engeland, verhinderd dat die onderhandelingen in 1990 ook daadwerkelijk van start gingen. Nota bene omdat Nederland en Engeland principieel van mening waren dat onderhandelingen over liberalisering van de handel zich niet moeten beperken tot een bepaalde sector. Het gevolg is geweest dat de Europese Commissie kostbare tijd heeft verloren en dat de Verenigde Staten de kans hebben gekregen om het initiatief in de onderhandelingen over een "Multilateraal Staalakkoord' naar zich toe te trekken, daarmee Europa in het defensief dringend. ""Zó worden dus de belangen van het Europese bedrijfsleven op EG-niveau behartigd, een gevolg van kortzichtigheid van enkele EG-lidstaten', moppert Hosman.

Dat in Nederlandse lobby's in Europa de betrokken lobbyisten zelf aan het woord komen, maakt het boek aantrekkelijk, maar het is tegelijkertijd ook een nadeel dat ze hun artikelen zelf hebben geschreven. De gevallen die beschreven worden, zijn interessant genoeg; ze variëren van KLM's pogingen om het luchtvaartverkeer te liberaliseren tot de inspanningen van het ministerie van verkeer en waterstaat om onder Nederlands voorzitterschap van de EG een akkoord te bereiken over de snelheidsbegrenzer, en van de lobby van het Produktschap voor Vee en Vlees om EG-goedkeuring te verkrijgen voor de "Nederlandse' gehaktbal en om vleesconserven als noodhulp te mogen leveren aan Rusland tot het onverwachte succes van Rijnmond bij het incasseren van EG-subsidies voor de omschakeling van voormalige scheepsbouwgebieden. Maar vaak blijven de auteurs steken in het geven van een uitgebreid chronologisch overzicht van de besluitvorming, waarbij de nadruk ligt op het opsommen van de gebruikte argumenten pro of contra. De verhalen blijven daardoor nogal aan de oppervlakte, nergens wordt de indruk gewekt dat de lezer echt een blik achter de schermen wordt gegund - wat men zich daarbij ook voor moet stellen.

SNOEPREISJE

Ook beleidsmedewerker M. Puyenbroek van de EVD in Brussel laat die laatste vraag open. Samen met een collega geeft hij wel een aantal "gesprektips' aan nieuwkomers in Brussel. ""Kennismakingsgesprekken moet men goed voorbereid ingaan', schrijft hij, en: ""Interesse in de persoon aan de andere kant van de tafel is van belang. Het informeren naar zijn sociale leven zijn zaken die in Brussel zeker van belang zijn als men gaat praten met mensen uit het zuiden van Europa'. Soms zijn ook "leuke' uitnodigingen relevant, zo blijkt (maar een ambtenaar van de Commissie uitnodigen voor een snoepreisje naar de Maldiven gaat te ver: ""Dit ruikt naar omkoperij'), terwijl ""men ervoor moet waken in gesprekken een klagerige, zeurderige indruk te maken.'

Maar over al die menselijke, informele aspecten van het lobbyen, daarover laten de lobbyisten zich niet of nauwelijks uit. Geen spannende "inside stories' in Nederlandse lobby's in Europa. Wel rationele verklaringen waarom een lobby zich in het ene geval in eerste aanleg op ambtenaren van de EG-Commissie richt en in het andere geval op leden van het Europese Parlement.

Maar misschien is er ook niet zo veel meer dan die zakelijke, formele kant. Immers, stelt Puyenbroek, het behoort tot de ""typisch Nederlandse handicaps' dat men doorgaans ""te netjes' opereert. Puyenbroek vindt dat die houding moet veranderen. ""Er moet toch een middenweg zijn tussen het opereren van Italianen en Nederlanders, met andere woorden: men moet de marges van het systeem benutten'.

Jammer dat het boek ophoudt bij die bewering. Het was in ieder geval aardig geweest te vernemen wat Puyenbroek nu precies bedoelt, uitgelegd aan de hand van een aantal praktijkvoorbeelden.