Door "Solingen' is slapend monster opgestaan

"De week die ons land veranderde', kopte een Duits zondagsblad zes dagen geleden boven een overzichtsartikel over alles wat er de voorafgaande week aan zwaar nieuws over het land was gekomen.

Maandag (24 mei) was dat het besluit over invoering van onbetaalde wachtdagen in geval van ziekte geweest. Dinsdag volgde de aankondiging van minister Theo Waigel (financiën) dat hij nog 20 miljard extra moet sparen en ook de sociale uitkeringen niet kan ontzien. Woensdag aanvaardde de Bondsdag, inclusief een meerderheid van de SPD, de langomstreden wijziging van het Duitse asielrecht. Donderdag nam de Bondsdag, weer met steun van de daar oppositionele SPD, het zogenoemde Solidariteitspact aan, wat onder meer in een belastingverhoging van 7,5 procent voor 1995 voorziet. Vrijdag (29 mei) wees het Constitutionele hof in Karlsruhe de tegen de zin van de CDU overeengekomen nieuwe abortuswetgeving af.

Kortom: het leek niet zo'n slechte week geweest voor kanselier Helmut Kohl en zijn CDU. Zijn coalitie had, in weerwil van alle klachten over “de politiek” een zekere daadkracht gedemonstreerd en en passant de SPD een jaar voor de volgende Bondsdagverkiezingen op twee belangrijke terreinen - het asielrecht en via het Solidariteitspact ook het economische beleid - alvast behoorlijk gecommitteerd. En waar Kohls CDU in meerderheid bij "Karlsruhe' had geklaagd over de voorgestelde nieuwe abortuswetgeving kon hij over de (feitelijk nogal genuanceerde) reactie van het Constitutionele hof ook niet ontevreden zijn.

Maar voor dat zondagsblad gedrukt was, was dat overzichtsartikel al ingehaald door het nieuws van de brandaanslag die zaterdagmorgen in Solingen het leven had gekost aan twee Turkse vrouwen en drie kinderen. Want meer nog dan door al die inderdaad ingrijpende besluiten in Bonn en Karlsruhe kwam Duitsland in het teken te staan van wat in Solingen gebeurde. Wederzijdse angst en achterdocht zijn terug, in een land met 6,5 miljoen buitenlanders, tussen hun minderheden en zo'n 74 miljoen autochtonen. Vertwijfeld vraagt de rest van de wereld zich af wat er sinds de Duitse eenwording toch aan de hand is met dat democratische modelkind van gisteren. Is het nog gewoon dat land van eergisteren, letterlijk en figuurlijk?

Na de brandstichting waarbij een half jaar geleden in het landelijke Mölln drie Turkse vrouwen omkwamen, na Hoyerswerda, Hünxe, Rostock, leek de hoeveelheid ellendig en bot geweld eindelijk te groot geworden voor de bevolking, bij wie de schrik als het ware laat "indaalde'. De bevolking ging toen immers massaal - al dan niet via enorme Lichterketten - de straat op om als "het andere Duitsland' tegen vreemdelingenhaat te betogen. Of de politiek en de justitie voordien nu te laks of te traag waren geweest dan wel of het zo was dat zij pas toen als het ware de noodzakelijke rugdekking kregen, leek niet meer zo interessant. Er was een algemene, door miljoenen bewust gedragen kentering. En dat leek de hoofdzaak.

Kan één nieuwe aanslag, zelfs al komen daarbij vijf mensen om, dan echt iets veranderen? Ja, want plotseling is dit pinksterweekeinde een slapend monster opgestaan. Een monster dat méér is dan een op zichzelf al ernstig te nemen groep van zo'n zeseneenhalfduizend geregisteerde "niet-ideologische' jonge rechtsradicalen en skinheads en nog eens enkele tienduizenden meer ideologisch geinspireerde nationalistische ultra-conservatieven, die op hun beurt enkele tienduizenden gewelddadige linkse “Autonomen” tegenover zich weten.

Kanselier Kohl mocht dan, door zelf niet naar Solingen of (gisteren) de rouwdienst in Keulen te komen, onhandig proberen om de brandstichting als natuurlijk afschuwelijk maar toch ook als niet kenmerkend “voor het open en buitenlanders vriendelijk gezinde Duitsland” beschouwd te krijgen. Maar die poging kòn niet slagen en krijgt nu een plaats in een rijtje van persoonlijke tactisch-psychologische blunders à la Bitburg.

Want, véél meer dan na “Mölln”, voelt de grote, ruim 1,6 miljoen tellende Turkse minderheid in woede en radeloosheid zich alleen gelaten. Bij sommige Duitsers wel gewaardeerd, door zeer velen slechts geduld. Na tientallen jaren leven en werken in hun gastland dat voor veel jongeren Heimat werd. Misschien wel meer nog door grootscheepse indifferentie van de bevolking bedreigd dan door de haat en het geweld van kleine groepen.

Anders gezegd, met ook nog eens een economische recessie als decor, voelen de Turkse maar ook andere angstig-verontwaardigde minderheden zich aan radicaal geweld uitgeleverd, terwijl het overgrote deel van de bevolking alleen heel vriendelijke gezichten trekt na "Möllns' of "Solingens'. Dat verschijnsel lijkt trouwens allerminst exclusief voor Duitsland, netzomin als het verschijnsel dat in heel wat lokale en regionale kranten het nieuws over de schade aan auto's en winkels bij de demonstraties in Solingen en andere steden deze week gaandeweg steeds sterker oprukte. Die kranten kennen hun lezers en adverteerders.

Bondspresident Richard von Weizsäcker, die afgelopen weekeinde betrekkelijk mat reageerde op de aanslag in Solingen en zich daar evenmin als Kohl liet zien, heeft donderdag bij de rouwdienst voor de slachtoffers in Keulen als staatshoofd zijn soms niet zo innige partijvrienden van de CDU een signaal gegeven. Het signaal namelijk om nu toch haast te maken met de toekenning van lokaal kiesrecht en het recht op een dubbele, ook Duitse, nationaliteit aan buitenlanders die langdurig in Duitsland wonen en werken. Dat zou verdiend zijn en bevordert hun zelfgevoel en hun kans op integratie.

Vele weldenkende politici in de Bondsrepubliek zijn dat met hun president eens. En veel weldenkenden in het Europese buitenland vast ook. Maar zouden, die Europese Weizsäcker-supporters daarbij in zoverre ook hebben dóórgedacht dat de toekenning van een tweede (Duitse) nationaliteit de buitenlanders in de Bondsrepubliek dan dus ook het recht geeft om zich vrij in Europa te bewegen en te vestigen? Nu de "magneet-functie' van de Duitse economie voorlopig minder sterk lijkt, zou dat nog wel eens belangrijker kunnen worden dan het menigeen gisteren leek.

Dat is trouwens geen argument tegen maar vóór de gedachte van Weiszäcker. De wijziging van het Duitse asielrecht was in feite óók een doodgewone stap naar een meer gelijksoortige en meer evenwichtige behandeling van het asielprobleem in Europa. Uitvoering van de suggestie-Weizsäcker zou kunnen meebrengen dat alle Europese landen zich sterker gedwongen zouden zien om, ook op dat stuk, meer samen hun vreemdelingenbeleid te ontwikkelen. Dat zou goed (kunnen) zijn voor buitenlanders en buitenlandse vluchtelingen en kunnen helpen om de lasten en lusten van een toch onverbiddelijke migranten- en vluchtelingenstroom van Zuid naar Noord en Oost naar West beter te reguleren en te verdelen.

Voor de CDU/CSU is het loslaten van het huidige, door afstammingsoverwegingen bepaalde nationaliteitsbesef moeilijk; historische atlassen (ook en juist die van voor 1933) maken dat tot op zekere hoogte verklaarbaar. Er zitten, mocht het zover komen, ook nog andere moeilijkheden vast aan Weizsäckers suggestie: het schrijven van stukken over Duitsland en zijn buitenlanders zou er bij de Europese buren soms niet makkelijker van worden.