De nagalm van Dordt

De Synode van Dordrecht (1618-1619) bestendigde het unieke karakter van de ordening van de religieuze zaken in ons land. In de verhouding tussen de georganiseerde godsdienst en de Nederlandse samenleving vormt de Synode nu al eeuwenlang een vast bestanddeel.

In 1842 ontwikkelde de Groningse hoogleraar theologie Hofstede de Groot, in een artikel in het Archief voor kerkelijke geschiedenis, een eigenzinnige visie op de Nederlandse kerkgeschiedenis. Hij betoogde dat het lutheranisme en calvinisme buitenlandse binnendringers waren, stromingen vreemd aan de volksaard, die de natuurlijke en echt-nationale ontwikkeling van het Nederlands christendom verstoord hadden. Van oorsprong was de Nederlandse godsdienst gestempeld door inheemse theologische stromingen, door de laat-middeleeuwse Moderne Devotie en door Erasmus.

Het calvinisme, met zijn zucht tot speculatie en geringe belangstelling voor de praktijk van het leven, heeft de godsdienstige behoeften van de Nederlandse natie daarom nooit kunnen bevredigen. De volksvreemde tirannie van het leerstelsel van de Synode van Dordrecht leidde dan ook tot het voortduren van de kerkelijke verscheidenheid tijdens de Republiek en tot het voorkomen van tal van verschillende stromingen binnen de heersende kerk.

Die oorspronkelijke nationale godgeleerdheid wilde Hofstede de Groot verdedigen. In de jaren 1840 had hij er hoop op dat zijn richting heersend zou worden in de Hervormde Kerk. De andere protestantse kerken in het vaderland stonden in zijn ogen de nationale godgeleerdheid al voor. Alleen de katholieken onttrokken zich nog aan de nationale eenheid. Maar Hofstede de Groot verwachtte dat wanneer ook zij zich vrij zouden maken van de geestelijke overheersing door Rome, zoals de protestanten zich van Dordrecht hadden vrijgemaakt, het christendom in Nederland werkelijkheid zou worden.

Hofstede de Groot bood zo een sluitend betoog waarin ontvouwd werd waar Nederland eigenlijk over gaat. Dat is tolerante, praktische godsvrucht, die gericht is op de zedelijke opvoeding van het volk. Door een betreurenswaardig toeval is de harmonische ontvouwing van deze nationale aard in de zeventiende eeuw gestoord. Nu kunnen de kwalijke gevolgen van dat toeval ongedaan gemaakt worden. En daarmee diende zijn verhaal ook een actueel doel: het bevestigen van de administratieve en culturele orde van het jonge Koninkrijk.

De Synode van Dordrecht is eeuwenlang een vast bestanddeel geweest van ieder verhaal dat uitlegde wat Nederland was en wat voor soort gemeenschap men zich bij die politieke eenheid moest voorstellen. Bovenal is de Synode een symbool geweest voor de plaats en waardering van godsdienst in de Nederlandse samenleving. De uitkomst van de bijeenkomst is beschouwd als de overwinning van de preciezen op de rekkelijken, van de predikanten op de regenten, van een onderdrukkende orthodoxie op tolerante vrijzinnigen. Dat zijn allemaal oordelen waar een historicus niet veel mee kan. De partij die bij Dordt verloor liet zich er juist op voorstaan dat zij meer moraliseerde dan haar tegenstanders. Zij had getoond dat ook zij er niet voor terugschrok haar opvatting met behulp van de macht van de overheid op te leggen. De partij die overwon dankte haar victorie aan de steun van de regenten van Amsterdam en zette zo'n tweehonderd predikanten af.

Maar het is volkomen terecht dat er zo'n groot symbolisch gewicht aan Dordrecht wordt gegeven. De Synode bestendigde het unieke karakter van de ordening van de religieuze zaken in Nederland. Elders in Europa had de invoering van de Reformatie geleid tot een wijziging van de religieuze orde van de hele samenleving. Iedereen was vanzelfsprekend lid van de ene kerk gebleven, die de geestelijke vorm van de hele samenleving behelsde, al was die vorm dan veranderd. Overal in Europa was de houding van de overheid cruciaal voor het welslagen van de Reformatie. In de Nederlanden daarentegen voerde de centrale overheid de eerste twee generaties na het optreden van Luther een beleid, waarbij voorstanders van hervorming streng en redelijk succesvol vervolgd werden. Het verbond tussen hervormingsgezinde geestelijken en invloedrijke leken, dat elders de sociale grondslag voor de Reformatie vormde, kwam in de Nederlanden nooit werkelijk van de grond.

In plaats daarvan ontstonden, tegen de verdrukking in, religieuze groepen die zich apart van de samenleving organiseerden. Het betrof met name het doperdom en het calvinisme. De doopsgezinden wezen de opvatting dat een kerk eigenlijk behoort samen te vallen met een samenleving principieel van de hand. Zij streefden naar de vorming van groepen die zouden bestaan uit louter ware vromen. Daarom verwierpen ze de kinderdoop, het ritueel waarmee iedere nieuw geborene werd opgenomen in de ene, christelijke en wereldlijke, gemeenschap. De calvinisten hadden in de jaren 1550 min of meer bij toeval de mogelijkheid ontdekt om eigen kerkelijke organisaties te vormen, die onafhankelijk waren van een bestaande politieke structuur. Dat bleek ook in de Nederlanden een uitstekend middel om zich tegen de verdrukking in te verspreiden.

Toen als resultaat van de Opstand in de Noordelijke Nederlanden een nieuwe politieke eenheid ontstond en de Reformatie alsnog werd ingevoerd, werden de religieuze zaken op een verbazend originele manier geregeld. Een belangrijk motief van de Opstand was het verzet tegen het centraliserend streven van het landsheerlijk bestuur in Brussel geweest. In de nieuwe Republiek ontbrak daarom vrijwel ieder centraal gezag. De verschillende provincies waren in principe souverein en overal werd het provinciaal gezag geconstitueerd door plaatselijke machtscentra. Binnen provincies als Holland en Zeeland waren dat de belangrijkste steden, elders in verschillende mate de elites op het platteland. Dat betekende dat ook de ordening van de godsdienst feitelijk een provinciale, geen nationale aangelegenheid werd, en grote regionale en lokale verschillen vertoonde. Een tweede belangrijk motief van de Opstand was het verzet tegen de ketterjacht geweest, en de politieke elites van de nieuwe Republiek waren tamelijk eensgezind in hun overtuiging, dat niemand om zijn religieuze overtuiging vervolgd mocht worden. Dat betekende niet dat doopsgezinden en katholieken soms niet werden lastiggevallen, maar wel dat nooit een landelijke of systematische vervolging plaatsvond. In het hoogontwikkelde en sociaal gedifferentieerde gebied dat de kern van de Republiek vormde lieten de overheden toe dat een nieuwe katholieke organisatie werd opgebouwd.

De vroeger vervolgde Gereformeerde Kerk werd in alle provincies van de Republiek tot de publieke kerk, dat wil zeggen, tot de kerk die uit publieke middelen onderhouden werd, die het gebruik kreeg van de kerkgebouwen, en die de belangrijkste openbare gebeurtenissen religieus diende te omlijsten. Ze kreeg niet de gelegenheid om het onderwijs en de armenzorg te gebruiken om alle leden van de samenleving in zich op te nemen.

Maar dat was ook niet haar ideaal. Zij was niet, zoals de dopers, verknocht aan het ideaal van de sekte. De rol van publieke kerk nam zij graag op zich. Maar zij streefde er niet werkelijk naar om de kerk van alle leden van de samenleving te worden. Ook zij koesterde het ideaal een gemeenschap van belijdende christenen te zijn, en haar belangrijkste sacrament, het avondmaal, stond alleen open voor de belijdende leden - en dat was altijd maar een deel van de gedoopten. Wederzijds weigerden overheid en kerk dus om alle burgers van de Republiek in één kerk te leiden.

De Synode van Dordrecht van 1618-1619 legde dit eigenaardige karakter van de publieke rol van godsdienst in de Republiek vast. Vanaf de jaren 1580 hadden zich geschillen voorgedaan over de juiste verhouding tot de overheid en de leer van de publieke kerk. De geschillen vonden een toespitsing in de twist tussen twee Leidse hoogleraren in de theologie, Arminius en Gomarus, over de predestinatie. In het tweede decennium van de zeventiende eeuw, tijdens het Twaalfjarig Bestand, raakten deze theologische geschillen verbonden met de talrijke politieke conflicten binnen de jonge Republiek en leidden bijna tot de burgeroorlog. Te Dordrecht bevestigden de volgelingen van Gomarus de overwinning van hun politieke bondgenoten en legden hun standpunt leerstellig vast.

Dat standpunt betrof de manier waarop God de mens het eeuwig heil schenkt. Het kwam neer op de bevestiging van een gematigde dubbele predestinatieleer. Dat behoeft enige uitleg. Beide partijen deelden de overtuiging dat God alles in de wereld bepaalt en dat voor hem, die in de eeuwigheid leeft, alles wat gebeurd is, gebeurt en zal gebeuren tegelijkertijd aanwezig is. Beiden hadden ook de overtuiging dat de mens na zijn dood hetzij in de hemel, hetzij in de hel terecht komt. Beide partijen deelden ook het protestantse standpunt dat de mens niet door zijn werken, maar alleen door het geloof, dat een geschenk van God is, zalig kan worden.

Het te Dordrecht veroordeelde standpunt luidde dat God eerst voorziet of iemand zijn aanbod van genade zal aanvaarden of verwerpen, en dan besluit hem het eeuwig heil te schenken of te onthouden. "Eerder' en "later' hebben hier betrekking op de logische orde, niet op de volgorde in de tijd. Het te Dordt vastgestelde en tot orthodoxie verheven standpunt luidde daarentegen dat God eerst besluit wie hij zalig zal maken, en dan besluit aan die mensen, en aan hen alleen, zijn aanbod van genade te doen. (Ook bij de orthodoxe partij speelde Gods voorzienigheid nog een rol, omdat zij het er onderling niet over eens was of God eerst de val van Adam voorzien had, en daarna zijn besluiten aangaande de uitverkiezing nam, of dat ook de val van Adam door hem als middel voor een eerder besluit gebruikt werd.)

De vijf artikelen waarin dit standpunt op de Synode van Dordrecht werden vastgelegd zouden voortaan gelden als de bepaling van het orthodoxe calvanisme. (1) De mens is door de erfzonde volstrekt onbekwaam geworden om het heil te verwerven, vandaar dat (2) God hem zonder voorwaarden tot het heil verkiest, want hij zou aan die voorwaarden toch niet kunnen voldoen. (3) Christus' zoendood was alleen bedoeld voor de uitverkorenen, want (4) de mens kan Gods genade niet weerstaan, en het is duidelijk dat niet iedereen het heil deelachtig zal worden. (5) Wie is uitverkoren, zal volharden en zijn geloof nooit werkelijk kunnen verliezen. De Amerikanen hebben een kort geheugenrijmpje opgesteld dat deze vijf besluiten aangaande de heilsweg handzaam samenvat. Het luidt, toepasselijk, TULIP: Total Depravity, Unconditional Election, Limited Atonement, Irresistible Grace, Perseverance of the Saints.

Toen aan het eind van de jaren 1620 de in Dordrecht veroordeelde predikanten overgingen tot de organisatie van een eigen kerkgenootschap, de remonstrantse broederschap, en de publieke kerk besloot de uitkomst van Dordrecht serieus te nemen, werd haar bijzondere identiteit bevestigd. De remonstranten bleven altijd een klein kerkgenootschap, maar juist hun bestaan dwong de publieke kerk zich er doorlopend van bewust te zijn dat zij niet de kerk was van alle inwoners van de Republiek, en dat zij haar identiteit ontleende aan haar leer, zoals die op de Synode van Dordrecht was vastgesteld. Dit verdient enige nadruk. Voor het zelfbesef van de publieke kerk waren de remonstranten veel belangrijker dan de zo veel talrijker katholieken, lutheranen of doopsgezinden. Serieuze intellectuele polemiek tegen de katholieken hield in feite op rond het midden van de zeventiende eeuw. Ideologische conflicten met de remonstranten en over zaken die de grens met het remonstrantisme leken te verdoezelen bleven voorkomen tot het laatste kwart van de achttiende eeuw.

De publieke kerk van de Republiek werd zo een zeer merkwaardige instelling. Zij was niet de kerk van alle onderdanen van die politieke eenheid. Ze bezat in principe een eigen organisatie, en ook al was feitelijk de invloed van de overheid op haar bijeenkomsten buitengewoon groot, theoretisch handhaafde zij zorgvuldig haar onafhankelijkheid. Ze vergat nooit dat zij haar ware aard ontleende aan haar leer. Maar aan de andere kant stelde zij het zeer op prijs de publieke kerk te zijn, de kerk die officieel erkend werd door de overheid. En die zaken hoorden bij elkaar. Omdat ze een bijzondere leer had, die niet door iedereen onderschreven werd, en omdat ze in principe een eigen organisatie bezat, bleek haar publieke karakter bovenal uit de erkenning door de overheid. En het was juist die erkenning die het haar mogelijk maakte zo onbekommerd haar leer tot haar identiteit te maken.

Vandaar ook dat met de Republiek deze kerk ten onder ging. Tussen ongeveer 1780 en 1816 veranderde de zelfopvatting van de Nederlandse publieke kerk radicaal. Ze werd in eigen ogen van hoedster van de ware leer tot de belangrijkste, maar niet de enige organisatie die de beschaving van het volk en de orde van het vaderland bevordert. In 1816 ontving de kerk van de koninklijke bureaucratie een nieuwe, nationale organisatie. Deze organisatie bleek een uitstekende drager voor de door alle predikanten gedeelde opvatting over de maatschappelijke plaats van kerk en godsdienst. Vrijwel geen enkele predikant in de eerste helft van de negentiende eeuw wenste dat de leerbeslissingen van de Synode van Dordrecht weer de belangrijkste uitdrukking van zijn kerk zouden worden. Niemand wilde het herstel van de publieke kerk. Iedereen wilde de vaderlandse kerk of, beter, het protestantse vaderland. De latere gereformeerde historiografie heeft, om het eigen volksdeel te stichten, wel geprobeerd een continuteit met de publieke kerk te creëren door te laten zien dat er altijd verdedigers van de Dordtse orthodoxie bleven bestaan, die hun knie niet hadden gebogen voor de Baäl van de tolerantie.

Maar bij nader toezien houdt deze interpretatie geen stand. De preken van de Leidse predikant Schotsman in 1818, gebundeld als Eere-zuil voor Dordt, en altijd opgevoerd als verdediging van de orthodoxie, blijken bij kennisname brave opwekkingspreken te zijn. De eerste preek kan in twee zinnen worden samengevat. In de tijd van de Synode van Dordrecht was men waakzaam. Dat valt te prijzen. De tweede preek betoogt dat ook wij, ieder afzonderlijk, waakzaam dienen te zijn, zodat we niet toegeven aan de zonde en ons geloof niet inslaapt. Met zo'n inhoud is het niet verwonderlijk dat de Dordtse leesregels in de preken zelfs niet genoemd worden.

Het is niet veel anders bij Groen van Prinsterer. Ook hij prijst de Synode van Dordrecht, maar ook bij hem gebeurt dat niet vanwege de inhoud van de daar genomen beslissingen aangaande de leer. Dordrecht was voor hem een teken van de politiek-religieuze kracht van het vaderland, dat daarom respect en ontzag verdient. Maar ook Groen wenste niet de strikte herinvoering van de Dordtse leerregels. En zo was het met vrijwel alle orthodoxen in de negentiende eeuw. De vrijzinnige theoloog Scholten maakte het zich niet al te moeilijk toen hij al zijn tegenstanders die hem van ketterij beschuldigden gedetailleerd onder de neus wreef hoezeer zij ook zelf afweken van de Dordtse orthodoxie. Iedereen wilde het protestantse vaderland, niet een bijzondere kerk, want de ware drager van het christendom is de natie.

Aan deze vèrgaande overeenstemming en eensgezindheid binnen de Hervormde Kerk ontleende Hofstede de Groots omschrijving van de aard van de Nederlandse kerkgeschiedenis in 1842 zijn overtuigingskracht. Wetenschappelijk was het natuurlijk een merkwaardige stelling. Op grond van de laatste vijftig jaar verklaarde hij de hele zeventiende en achttiende eeuw tot een verwringing van de Nederlanse volksaard. Nog in 1842 verscheen in hetzelfde tijdschrift een reactie op De Groots artikel van de hand van Royaards, hoogleraar kerkgeschiedenis te Utrecht. Royaards belangrijkste kritiekpunt luidde dat juist verscheidenheid van oudsher tot het Nederlands volkskarakter behoord had. Alle religieuze richtingen in de vaderlandse kerk hebben daarom recht op het predikaat Nederlands.

Onmiskenbaar was deze argumentatie door Royaards bedoeld als verdediging van het goed recht van het calvinisme, en hij noemde in zijn artikel de Synode van Dordrecht een historisch noodzakelijk moment in de ontwikkeling van de Nederlandse godsdienst. Maar het Nederlands karakter van de remonstranten betwijfelde hij niet. Het is normaal dat er binnen de godsdienst van het vaderland verschillende stromingen en richtingen bestaan. Zijn erkenning van de Nederlandse godsdienstige diversiteit kent echter ook grote beperkingen. Voor Royaards drukken alleen de verschillende stromingen binnen het protestantisme de Nederlandse volkaard werkelijk uit. Voor al deze negentiende-eeuwse theologen is de grote tegenstander het rooms-katholicisme, dat zich onttrekt aan de vaderlandse eenheid. Ook in dit opzicht had Royaards' twist met Hofstede de Groot een exemplarisch karakter. Uiteindelijk twistten zij slechts over de aard van het protestantse vaderland, over de manier waarop het proptestantisme en het volk samen hoorden. Werkelijke erkenning van de religieuze diversiteit van Nederland, dat wil zeggen, erkenning van het bestaan van de katholieken, werd pas mogelijk toen met deze voorstelling van de band tussen volk en kerk gebroken werd.

Dat deed Abraham Kuyper. Het interpreteren van Kuypers gedachtengoed vereist enige behoedzaamheid, omdat zijn denkbeelden zich altijd moeiteloos voegden naar de kerkelijke en politieke omstandigheden van het moment. Maar hij verwierp altijd de volkskerk en nam altijd aan dat hij leefde in een tijd waarin het karakter van het Nederlandse volk opnieuw een verandering onderging. Al naar gelang van de omstandigheden kon hij zijn eigen partij, de orthodoxe protestanten, voorstellen als slechts één van de groepen die streden om de bepaling van de nieuwe Nederlandse identiteit, of toch juist weer als de ideële kern der natie, die vanwege haar rol in het verleden ook de grootste kansen had de toekomst te vormen.

Bij de Doleantie bleek dat Kuyper in zijn streven naar een actieve kerk de orthodoxe partij binnen de Nederlandse Hervormde Kerk gebroken had, en slechts een deel daarvan de volkskerk had uitgeleid. Het werd volstrekt duidelijk, dat de Hervormde Kerk niet ten onder zou gaan, en dat Kuypers eigenlijke aanhang een kleine minderheid was en zou blijven. In 1887, op het hoogtepunt van de scheuring, formuleerde hij kort en scherp, in een rede die de titel Tweeërlei Vaderland droeg, zijn volledige verwerping van de gedachte dat kerk en vaderland samen zouden kunnen vallen. Hij wenst geen volkskerk, maar een kerkvolk, dat zich isoleert, ""niet om ons buiten het vaderlandsche leven te stellen, maar om juist door ons isolement het ons toebetrouwde pand voor dat Vaderland te redden''.

Die laatste zinsnede is een aardige omschrijving van de ideologie van de verzuiling. Iedere in een zuil georganiseerde groep draagt, naar eigen begrip, zijn karakter aan het vaderland bij, en dient juist daarom dat karakter in de eigen zuil zuiver te bewaren. Met de consolidatie van de zuilen na 1880 zou Royaards opvatting, dat de Nederlandse religieuze geschiedenis zich altijd gekenmerkt had door verscheidenheid, en dat elke groep waarlijk Nederlands was, maatschappelijke werkelijkheid worden. En zolang de verzuiling duurde zou Royaards omschrijving van de Nederlandse religieuze nationale identiteit overtuigend blijven.

De kerkelijke schepping van Kuyper, de Gereformeerde Kerken in Nederland, kozen in feite voor een zelfbesef dat aansloot bij diens rede over het tweeërlei vaderland. Zij gedroegen zich als een kerkvolk, eerder dan als de ideële kern der natie. Zoals de katholieken vormden zij een religieuze beweging die mensen mobiliseerde tegen de heersende gelijkstelling van het protestantisme met de natie. De Synode van Dordrecht werd bij hen weer het symbolische middel om de eigen groep af te grenzen van andere protestanten.

Het is geen toeval dat tot 1970 de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Katholieke Kerk, de twee harde kernen van de verzuilende groepen, hun aandeel in de bevolking constant wisten te houden. De Hervormde Kerk daarentegen zag tussen 1880 en 1970 haar aandeel in de Nederlandse bevolking dalen van iets meer dan de helft tot iets minder dan een kwart. Geen andere kerk was zo met het bestel verbonden en zo van burgerlijke waarden doordrongen. Al wie zich tegen de bestaande orde keerde, wendde zich van haar af, en daarom verloor ze zowel naar links, aan de socialisten, als naar rechts, aan de verschillende protestantse groepen die zich als orthodox voorstelden. Maar deze keus voor het vaderland, voor het bestel en voor de hele natie maakte de Hervormde Kerk bewust. Na de Doleantie begreep zij, tegen de gereformeerden, haar identiteit als volkskerk voortaan als opdracht.

Nu in het laatste kwart van de twintigste eeuw, vindt opnieuw een omslag plaats in de verhouding tussen de georganiseerde godsdienst en de Nederlandse samenleving. Deze jaren lijken de vervulling van Hofstede de Groots hoop op één Nederlandse volk, dat dezelfde waarden deelt, en niet langer verdeeld is in verschillende religieuze groepen. Alle Nederlanders onderschrijven nu, zoals een godsdienstsocioloog onlangs betoogd heeft, de waarden van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Ideologische en organisatorische verschillen binnen Nederland zijn vrijwel verdwenen.

De kerken die zich zo succesvol gekeerd hadden tegen het soort protestantisme dat Hofstede de Groot voorstond, de gereformeerden en de katholieken, zien de laatste twintig jaar hun aandeel in de Nederlandse bevolking dalen. Beide kerken hebben bovendien de eendracht en samenhang verloren, die hen een eeuw lang tot zulke geduchte organisaties maakten. De scherpe grenzen, die ze intern en extern trokken, tussen kerk en wereld, tussen ambtsdrager en leek, tussen man en vrouw, zijn vervaagd en vervloeid. Hun theologen weten het goed recht van het bestaan van de eigen kerk niet meer uit te leggen.

In het laatste boek van de gereformeerde theoloog Kuitert, Het algemeen betwijfeld christelijk geloof, wordt het belang van de kerk als een organisatie in haar eigen recht volstrekt afgedaan. Kuitert geeft onbekommerd op wat een eeuw lang de wezenlijke waarde van de Gereformeerde Kerken was. Nergens is nog sprake van een kerkvolk. Het is niet verbazend dat in het boek de uitverkiezingsleer van Dordrecht wordt afgedaan als "klinkklare onzin' en in het verder zo fraaie boek als een soort refrein een bot anti-katholicisme naar voren komt.

    • Peter van Rooden
    • Maatschappij van de Faculteit der Politieke