DE LEGIONAIRS VAN HET ZWARTE GOUD

De laatste gang. Het verdwijnen van de Europese mijnwerker door Max Paumen 174 blz., gell., L. J. Veen 1993, f 34,90 ISBN 90 254 0136 8

Bij het schrijven van De laatste gang heeft NRC Handelsblad-redacteur Max Paumen, zoals hij zelf in zijn nawoord zegt, zijn best moeten doen om zijn hart ""niet te laten winnen van zijn verstand''. Maar wie zijn compacte journalistieke werkje over het verdwijnen van de mijnindustrie in Europa heeft gelezen, kan slechts concluderen: gelukkig is dat maar half gelukt. Dit boek verhaalt vol passie over alle politieke, sociaal-economische en menselijke achtergronden van dat proces, alsook over de gevolgen ervan.

De laatste gang biedt zo een heldere mengeling van cijfermateriaal, onthullende inkijkjes in de machinaties van overheden en mijnbestuurderen, in de opstelling van de vakbonden, en in de belevingswereld van hen die het direct aanging, de mijnwerkers en hun gezinnen. De mannen die zich doorgaans letterlijk de longen uit het lijf hebben gewerkt, van wie iedereen een herosch beeld heeft, maar die de afgelopen decennia door heel Europa, zo suggereert Paumen, nergens echt de erkenning hebben gekregen die ze verdienen, behalve misschien in Engeland.

Het zijn deze mannen die het hart van Paumen hebben gestolen. Hun lot heeft hem aangespoord tot zijn uitgebreide research naar de diverse soorten afbraak van de mijnindustrie in het zo welvarende West-Europa en het op de rand van de afgrond verkerende Oost-Europa.

Paumens fascinatie wordt door velen gedeeld. Wie eenmaal in aanraking is gekomen met "de Koel', zoals een mijn in Zuid-Limburg werd genoemd, met de harde romantiek van de delvers van het zwarte goud, met de mierenhoop-achtige bedrijvigheid die ermee gepaard gaat, wordt er door gegrepen. Vooral het leven van de ondergronders spreekt tot de verbeelding. Zij waren het die honderden meters onder de aardkorst, met continu direct en indirect gevaar voor eigen en andermans leven de energievoorraden tussen de steenlagen uithaalden.

Deze kompels bestonden en bestaan meestal uit arbeiders van verschillende nationaliteiten en doen in alle opzichten denken aan een vreemdelingenlegioen. Want in wezen verkopen de mijnwerkers hun lichaam aan de mijn, ook al wordt dat in het arbeidscontract niet expliciet vermeldt. Net als de legionairs moesten ze, zeker in Nederland, een eed afleggen en waren ze aangewezen op een hechte kameraadschappelijkheid die in bijna geen enkele andere bedrijfstak te vinden is. '"Men spreekt niet voor niets over het mijnwerkerslegioen'', schrijft Paumen, '"over het kolenfront, de kolenslag''.

ADEMBENEMEND

De relatief weinigen die ooit een excursie maakten naar de verafgelegen werkplekken op een diepte van bijna een kilometer, verhalen allemaal dat ze alleen al van zo'n bezoek afgepeigerd waren. De benauwdheid, de warmte, en het stof maakten zo'n uitstapje letterlijk tot een adembenemend avontuur. Max Paumen weet dat inmiddels uit eigen ervaring, maar allang voordat hij, ondanks zijn engtevrees, een bezoek bracht aan een overigens zeer moderne Duitse mijn, vatte hij diep respect op voor degenen die in zijn ogen het zwaarst denkbare werk verrichten. Zijn boek is dan ook een onverbloemd eerbetoon aan de kompels, die sinds de industriële revolutie veelal tot de bestbetaalde arbeiders behoren, maar tegelijkertijd vreemdelingen, ruwe barbaren bleven, op afstand van de "goed gewasschen burgerij'.

De laatste gang laat het hele debâcle van de sluiting van de Nederlandse mijnen nog eens de revue passeren. In feite is dat een vrij overzichtelijk verhaal. Hoewel kolenwinning in Zuid-Limburg al plaatsvond in de twaalfde eeuw, is de groot-industriële aanpak pas na 1900 begonnen en heeft deze exploitatie nauwelijks meer dan een halve eeuw geduurd. Daarnaast geeft Paumen een indringende schets van de situatie in de buurlanden België en Duitsland, waar de overheden, die zich niet aan de EGKS-afspraken hielden, de mijnen veel te lang open lieten en tegelijkertijd - vooral in België - de mijnwerkers langzaam maar zeker de ene loer naar de andere draaiden. De Nederlandse situatie steekt daar nog gunstig bij af, zelfs met de maar gedeeltelijk geslaagde herstructurering van de getroffen gebieden.

Max Paumen ging ook kijken in Polen, in Tsjechië, in Roemenië en in Groot-Brittannië, kortom in vrijwel elk Europees kolenproducerend land van betekenis. Elk heeft, zo blijkt, zijn eigen typische mijnbouwgeschiedenis en bijbehorende specifieke afbraakpolitiek. In al deze landen zijn de mijnwerkers een gevreesde beroepsgroep en overal gaan ze om dezelfde reden de straat op: ze willen hun werk niet verliezen, hoe uitputtend het ook is, hoe groot de kans op silicose ook mag zijn. ""Mijnwerkers zijn met de mijn getrouwd'', schrijft Paumen ergens, maar hij maakt duidelijk dat dit huwelijk tussen kompels en kolen in Europa overal op de klippen loopt.

Deze complete Europese teloorgang heeft alles te maken met de nog steeds stijgende, en veel goedkopere kolenproduktie in andere continenten. Paumen weet op tamelijk overtuigende wijze te verklaren waarom de grote energievoorraden in Europese bodem maar zo beperkt kunnen worden aangesproken, en waarom alleen in Engeland (waar de mijnen ooit voor een miljoen arbeidsplaatsen zorgden!) mogelijk nog toekomst bestaat voor mijnbouw. Daar zijn de mijnen nog het meest winstgevend omdat de produktiviteit per mijnwerker er het hoogste is en de lonen relatief laag. Elders in Europa zijn de unieke mijnwerkersculturen gedoemd te verdwijnen.

KOLONIALE GEBIEDEN

De cijfers, de stakingen, de ongelukken, de politiek, de verknochtheid, de strijdlust, de beschermheiligen, de putheksen, de stoflongen, de heldenmoed en het afgedankt worden, kolen en milieu, kolenvergassing, heropening of niet - beknopt, kraakhelder, overzichtelijk en met engagement doet Max Paumen van al die zaken verslag. Op één punt behoeft hij, geloof ik, correctie. Daar waar hij schrijft dat ondanks de uitputtende literatuur over de Nederlandse mijnbouw ""één ding nog nooit is vermeld''. ""Dat is dat de eerste directeur van de particuliere mijn Laura en Vereeniging ir. R. Pierre, de eerste president van de particuliere Oranje Nassaumijnen ir. J. L. Cluysenaer en de eerste president-directeur van de Staatsmijnen ir. H. J. E. Wenckebach elkaar al aan de west-kust van Sumatra in het toenmalig Nederlands-Indië hadden leren kennen. Daar waren ze rond 1890 betrokken geweest bij het in produktie brengen van de Ombilinmijn en daar hadden ze de brede ervaring opgedaan, die ze later in Limburg zouden aanwenden.''

Of deze namen genoemd worden in de vele geschriften over de mijngeschiedenis van de in Heerlen woonachtige politicus en publicist Nic Tummers, weet ik niet meer zeker. Wel weet ik dat hij in de bundel Met betrekking tot Limburg uit 1966 voor het eerst gebruik maakte van het woord "Carboon-kolonisatie', een thema dat hij later veelvuldig heeft uitgewerkt, onder meer voor het tijdschrift Wonen/TA-BK. Tummers wees er als eerste op dat leidinggevende functionarissen in de Nederlandse mijnen hetzij ervaring hadden opgedaan in de koloniale gebieden, hetzij daar een carrière voor de boeg hadden en in het "gekolonialiseerde' Zuid-Limburg alvast konden oefenen.

Het is dan ook geen toeval dat een enkele directiewoning in Heerlen verdacht veel leek op de Hollandse veranda-bouw in Indië. En wie vroeger in Heerlen uit de trein stapte, zag tegenover het station het pand van "Hotel Java', een onderkomen dat speciaal bedoeld was voor de Pierres, de Cluysenaers en de Wenckebachs die zich, komend uit de overzeese gebiedsdelen weer in Nederland, pardon Limburg, moesten thuisvoelen.