Zoeken naar harmonie is dodelijk; Gesprek met Niek Kemps

“De interesse voor kunst is ondanks de vergrote aandacht van de media en het publiek niet werkelijk toegenomen. Kunst wordt alleen gebruikt als statussymbool.” Hoewel Niek Kemps en Jan Vercruysse geen voorstanders zijn van massa-tentoonstellingen, nemen ze namens respectievelijk Nederland en België toch deel aan de Biennale van Venetië die volgende week begint. Een gesprek met Kemps (“Een kunstwerk moet geen puzzel zijn die je kunt oplossen”) en een beschouwing over het zwaarmoedige en tegendraadse werk van Vercruysse.

“Aan reizen heb je niets. Je kunt beter in bed liggen. Ik weet dat het weinig zin meer heeft om een heuvel te beklimmen. Want als je top bereikt, staan er altijd bussen, prullenbakken en banken. Reizen leiden niet meer tot ontdekkingen. Als je nu nog iets ontdekken wilt, moet je niet naar buiten, maar naar binnen. Slechts introvertie kan u helpen.” Niek Kemps (Nijmegen, 1952) kijkt door zijn hippe bril naar een roos. “Hoe lang kijk je naar een roos in een vaas in een kamer?” vraagt hij. Meestal alleen in het voorbijgaan, moet ik antwoorden, op weg naar de keuken, naar de boekenkast, naar de telefoon. “Hoe lang kijk je naar een kunstwerk in een museum?” Een minuut is op een tentoonstelling al lang. Kemps vertelt een anekdote. “In Alexandrië was er voor de grote brand behalve een bibliotheek ook een tempel waarin de mooiste kunst van die tijd verzameld was. De tempel was niet toegankelijk, het was een heiligdom zonder publiek.” Impliceert Kemps dat het beter is helemaal niet te kijken dan om oppervlakkig te kijken? Kemps blijkt in ieder geval in het kunsttoerisme even weinig heil te zien als in het natuurtoerisme. “De interesse voor kunst is ondanks de vergrote aandacht van de media en het publiek niet werkelijk toegenomen. Kunst wordt alleen gebruikt als statussymbool.” Kemps betoont zich een voorstander van geheime musea, musea waarvoor je moeite moet doen ze te vinden en er binnen te komen. Maar als je er eenmaal bent, ben je alleen.

Niek Kemps had een half jaar geleden een grote overzichtstentoonstelling in het Van Abbemuseum in Eindhoven en in 1988 in museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam. Hij ontwierp een groot beeld voor Rotterdam, dat ter gelegenheid van het zevenhonderjarig bestaan van die stad in de Maas had moeten verrijzen. Wegens financiële problemen wordt het niet gebouwd. Nu vertegenwoordigt de kunstenaar Nederland op de Biennale van Venetië, een van de grootste tentoonstellingen van moderne kunst ter wereld. Kemps: “Als het lukt zal mijn expositie een scherpe ervaring bieden. Mijn kunst moet je niet alleen in het hoofd, maar vooral in het hart treffen. Het gaat mij om een interieure ervaring.”

Anders dan eerder werd bericht zal Kemps zijn werk niet samen met dat van de Belg Jan Vercruysse in het Nederlandse én in het Belgische paviljoen tonen. “Nederland en Vlaanderen hebben een gezamenlijk budget en een gezamenlijke infrastructuur, maar ik exposeer gewoon in het Nederlandse paviljoen en Vercruysse in het Belgische. Even hebben we nog met de gedachte gespeeld van paviljoen te wisselen, maar dat zou een flauwe gimmick zijn geweest,” zegt de kunstenaar.

Om in het Nederlandse, begin jaren vijftig door Rietveld ontworpen paviljoen te kunnen exposeren, heeft Kemps het wel aan zijn werk moeten aanpassen. “Het gebouw van Rietveld is mooi maar niet geschikt voor het tonen van hedendaagse kunst. Het hoge paviljoen is ondanks het bovenlicht heel donker, er loopt alleen van twee tot viereneenhalve meter boven de grond op de muur een lichtbaan. Daar hing je in de jaren vijftig de schilderijen.” Instinctief zijn daarom tot nu toe vaker schilders voor expositie in het paviljoen uitgekozen dan beeldhouwers, meent Kemps. Kemps veranderde de lichtinval en plaatste tussenwanden in het uit maar een zaal bestaande paviljoen. Licht en ruimte zijn wezenlijke bestanddelen van Kemps werk.

Nectar

Wat Kemps in Venetië laat zien vloeit voort uit zijn tentoonstelling in Eindhoven in het najaar van 1992. Er zal een nieuwe serie "schilderijen' hangen, ditmaal vernoemd naar de Sarabande, een libertijnse Spaanse dans, waarvoor hij foto's - opgeblazen kleurnegatieven - van handen gebruikt. Ook zullen er nieuwe bouwsels staan in de serie "Entre deux botes qui sont des maisons', fragiele bouwsels van huidkleurig, doorschijnend, als papier gekreukeld polyester. De kunstwerken van Kemps, zeker de iets oudere, zien er vaak aantrekkelijk, soms gelikt, uit. Ze glanzen, zijn perfect afgewerkt en de kijker wordt ernaar toe getrokken als een bij naar een bloem. Maar het kunstwerk eenmaal dicht genaderd blijkt de nectar goed verstopt. Afbeeldingen zijn zo vaag dat je niet kunt onderscheiden wat ze voorstellen of ze worden door een ander deel van het kunstwerk aan het oog onttrokken. De titels verhelderen zelden. Is er wel nectar? vraagt de kijker na een minuut. Honing kun je er in ieder geval niet van maken. En dan rijst de verdenking dat deze kunstenaar van treiteren moet houden. In een van de dialogen tussen twee onbekenden in de catalogus van zijn expositie in Rotterdam schreef Kemps:

"(-) Onttrekt u zich niet aan de wetten van de menselijke nieuwsgierigheid om te willen weten wat het is dat u ziet?

Daarin heeft u ongetwijfeld gelijk.'

Om uit te leggen wat hij doet gebruikt Kemps een omweg. Hij weet heel goed wat hij niet wil. “Ik ben een tegenstander van het idee dat kunst door de kunstenaar zelf gemaakt moet worden. Kunst is geen zelfexpressie. Bij goede kunst is het handschrift van ondergeschikt belang.” Het is daarom dat Kemps regelmatig hedendaagse, industriële materialen gebruikt, waaruit het handschrift van de kunstenaar nauwelijks kan spreken. Kemps beschouwt zijn kunstwerken ook niet als kunstwerken in de klassieke zin van het woord. Het zijn geen sculpturen, het zijn niet eens objecten. Kemps is geen beeldhouwer. “Ik wil een mentaliteit laten zien en daarvoor heb ik fysieke elementen nodig.” Deze fysieke elementen zorgen samen met het licht, de ruimte en de toeschouwer voor het ontstaan van een kunstwerk. Daarom kan de betekenis nooit vast staan. “Als je een kunstwerk ziet als je net je moeder hebt begraven is dat een volstrekt andere ervaring dan als je net verliefd bent.”

Kemps wil dat je zijn kunstwerken niet via de hersens, maar via het lichaam ervaart. “De hersens verhouden zich tot de sociale context van een kunstwerk. De kijker wil het kunstwerk toetsen aan wat hij al weet en het dan indelen. Ik wil die analyse vooraf uitschakelen. Mijn werk mag niet de illustratie van een idee zijn. Een kunstwerk moet geen puzzel zijn die je kunt oplossen. Want als je die hebt opgelost blijft er niets over. Elke beschouwer moet het kunstwerk op zijn eigen manier zien.”

Breukvlak

Twee schilders die Kemps bewondert zijn Pisanello en Uccello. “Zij leefden op het breukvlak van twee tijden, de Middeleeuwen en de Renaissance. Ze hadden de veranderingen in de gaten. Maar tegelijkertijd zagen ze de beperkingen van de nieuwe stroming in de kunst.

“Pisanello schilderde bijvoorbeeld een vrouwenhoofd en profil. Zo'n portret hoorde toen een blauwe achtergrond te hebben. Pisanello schilderde een landschap zoals dat in de Renaissance gebruikelijk zou worden, maar hij sloot dat landschap weer af door er een boom in close-up naast en voor te schilderen. Pisanello was dus in staat om aan het eind van een periode het nieuwe te zien en daar weer over heen te gaan. Zulke kunstenaars hebben waarde.”

Volgens Kemps bevinden we ons nu weer op het breukvlak van twee tijden, van dezelfde orde van grootte als de overgang van Middeleeuwen naar Renaissance. “De kunst is altijd de eerste die maatschappelijke veranderingen weergeeft. Kunst probeert bewust te maken.” Als voorbeelden van nieuwe ontwikkelingen in de maatschappij noemt Kemps met tegenzin de volksverhuizingen, de overbevolking en de veranderende omgang met seks. In de uitkomst van de maatschappelijke veranderingen is hij al helemaal niet genteresseerd. “Ik wil geen ideologie propageren. Ideologie is een vorm van zoeken naar harmonie en dat is dodelijk. Het gaat mij om de verandering, de beweging zelf. Ik wil op mijn manier dit tijdsmoment vertalen.”

Dat de toeschouwer dit alles niet uit zijn werk kan halen, vindt Kemps geen bezwaar. Zoals gezegd mogen zijn kunstwerken geen illustraties van een idee zijn. En moet elke toeschouwer het op zijn eigen manier zien. “Als je niet voor klassieke kunst kiest en niet voor de media, zoals bijvoorbeeld Jeff Koons, moet het kunstwerk via de zintuiglijkheid de beschouwer een intense ervaring geven.” Voor het karakter van deze ervaring heeft Kemps weinig woorden tot zijn beschikking. Interieur (wat volgens de kunstenaar iets anders is dan innerlijk), scherp, een ervaring die je raakt via je maag of je hart en die altijd een vleugje melancholie heeft. “Een voorbeeld: je hebt een verhouding uitgemaakt. Als dat net gebeurd is, voel je dat het sterkst in je lichaam. Kunst die je lichaam zo direct aanspreekt is honderd maal interessanter dan kunst die alleen tot je hersens spreekt.”

    • Bianca Stigter