Wat denkt een gorilla in een Italiaanse dierentuin? Het realisme in de Nederlandse literatuur

Nederlandse schrijvers als A.F.Th. van der Heijden, Geerten Meijsing, Leon de Winter en Joost Zwagerman maakten in de jaren tachtig een zwenking van het spelen met werkelijkheid en verbeelding naar realistisch proza. Deze omslag vond uitzonderlijk genoeg in stilte plaats.

Op het omslag van de Haagse Post van 10 september 1977 stonden vier auteurs afgebeeld die een wedstrijd hielden in nors kijken: een schrijver lacht niet. Misschien gingen Frans Kellendonk, Doeschka Meijsing, Nicolaas Matsier en Dirk-Ayelt Kooiman gebukt onder het zwaarwichtige etiket dat hen werd opgeplakt. Het omslagartikel heette: "Het akademisme in de literatuur'. Die term "akademisme' was eigenlijk een scheldwoord. Aad Nuis had naar aanleiding van het debuut van Frans Kellendonk opgemerkt dat sommige jonge schrijvers hun verhalen in elkaar zetten zoals ze op de universiteit geleerd hadden andermans proza uit elkaar te rafelen - vandaar die aanduiding "akademisme'.

In de Haagse Post doet het viertal niettemin erg zijn best om aan te geven waaruit het nieuwe bestaat dat in hun werk vorm krijgt. Er wordt niet gestreefd, zo blijkt, naar een anekdotisch verhaal, waarmee de lezers zich klakkeloos kunnen identificeren. Kooiman: “Bij ons staat het vertellen van een verhaal niet voorop, wij behandelen een verhaal.” Wat die zin ook moge betekenen, het ging hem om literatuur die niet alleen maar een spiegel van de werkelijkheid wil zijn, maar het kunstmatige van fictie onderstreept.

Het artikel van Brokken is om verschillende redenen interessant. In de eerste plaats omdat de vier auteurs zich niet verzetten tegen de typering "akademisme'. Ze nemen de term als geuzennaam over. Bovendien werd erkend dat er in het proza aan het eind van de jaren zeventig iets aan het veranderen was. In het "Revisor-proza' zoals het al snel genoemd werd - alle vier de schrijvers schreven in De Revisor - speelde de schrijver een spel met verbeelding en werkelijkheid, dat altijd door de verbeelding gewonnen werd.

In de jaren tachtig zet de tendentie zich sterk door. Het ene boek na het andere verschijnt waarin het thema "verbeelding' wordt uitgediept. Cees Nooteboom laat in Een lied van schijn en wezen (1981) een schrijver discussiëren over het werkelijkheidsgehalte van de literatuur, en ook Leon de Winter varieert op dat thema. Zowel in Zoeken naar Eileen W als in La Place de la Bastille (beide uit 1981) blijkt het voor de lezers uiterst moeilijk te achterhalen waar de "werkelijkheid' van het verhaal wordt overwoekerd door de fantasie van de hoofdfiguur.

De wending van het realisme naar het verbeeldingsproza die rond 1980 krachtig doorzet is niet typerend voor de Nederlandse literatuur alleen. Het gehate woord moet er dan maar uit: het gaat in feite om een Nederlandse variant van het postmodernisme, waarvan Nabokov en Borges de vaders waren. In de literatuurwetenschap vat men onder de noemer "postmodern' gewoonlijk alle teksten samen die geen werkelijkheidsillusie nastreven, waarin alles uiteindelijk "alleen gebeurt op papier'. Wat Brokken signaleerde blijkt de doorbraak in de Nederlandse literatuur van het internationale postmodernisme.

Vermoeidheid

Aan het begin van de jaren tachtig is de Nederlandse tak van het postmodernisme zo dominant dat er bij sommige critici enige vermoeidheid valt waar te nemen: alwéér zo'n roman waarin een spel wordt gespeeld met werkelijkheid en verbeelding. Op dat moment worden de eerste tekenen zichtbaar van een verandering.

Zo verschijnt in het jaar 1982 - een van de rijkste postmoderne jaren - Montyn van Dirk Ayelt Kooiman. Dezelfde Kooiman, redacteur-voor-het-leven van de Revisor, die een niet onaanzienlijke rol speelde bij de opkomst van het verbeeldingsproza. Waar hij voorheen nog met recht een novellenbundel de titel Niets gebeurt kon geven, gaf hij nu het levensverhaal van de graficus Jan Montijn dat bol staat van de avontuurlijke gebeurtenissen.

Nog duidelijker werd dat er wat veranderde toen het jaar daarop de auteur Patrizio Canaponi een bijzonder ambitieus project inzette. Hij ontdeed zich van zijn welluidende pseudoniem, en gaf met zijn eigen naam A.F.Th. van der Heijden aan dat hij een nieuw stadium in zijn ontwikkeling als prozaschrijver had bereikt. Alleen al de titel van zijn boek De slag om de Blauwbrug was polemisch. Hij introduceerde daarmee een wereld van geweld en rumoer die haaks staat op de verstilde excercities op de grens van fictie en werkelijkheid waarin hij als Revisor-auteur excelleerde.

Ook bij andere auteurs die tegen het postmodernisme aanleunden, trad een wending op. Achter Joyce & Co, een firma die zich specialiseerde in uiterst gelaagd proza met talloze literaire toespelingen, kwam de heel anders geaarde schrijver Geerten Meijsing tevoorschijn. Joost Zwagerman, wiens debuutroman De Houdgreep (1984) nog zichtbaar tegen de Revisor aanleunde, maakte een ontwikkeling door die resulteerde in boeken als Gimmick! en Vals Licht. Maar het verst ging Leon de Winter. Na het voor hem succesvolle jaar 1981 zweeg hij geruime tijd tot hij terugkwam met een roman die de critici verbijsterde. Alleen al door zijn omvang (464 pagina's) spotte Kaplan (1986) met de veel gesmade "dunne boekjes' van de Revisor-groep. In Leon de Winter moet omstreeks 1985 een vertelwoede zijn losgebarsten. In een bandeloze drift laat hij de lijnen van het verhaal uitwaaieren over talloze personages op uiteenlopende locaties. We krijgen te lezen wat een gorilla in een Italiaanse dierentuin denkt en in later werk maakt hij zelfs gebruik van procédés uit een populair, en dus in de ogen van Hollandse critici verdacht genre als de spionageroman.

Ook Van der Heijden verwerkt in Advocaat van de hanen (1990) elementen uit het detective-genre. Tot op de laatste bladzijden van dit boek blijft verzwegen wie in deze roman de zo cruciale moord op zijn geweten heeft. Ook hij voert weer het element "ontknoping', dat uit het literaire proza verbannen scheen, in.

In België zijn soortgelijke veranderingen te zien. De Vlamingen hebben zich altijd met meer overgave gewaagd aan experimenten met het proza dan hun collega's in Nederland, en met indrukwekkende resultaten van onder anderen: Ivo Michiels en Paul de Wispelaere. Maar ook daar constateert men nu sinds de jaren zeventig een opbloei van meer traditioneel proza - tot verdriet van iemand als Julien Weverbergh, die deze ontwikkeling in zijn essaybundel Hard tegen hart bestrijdt. Kristien Hemmerechts en Eric de Kuyper zijn de in het Noorden bekendste namen die tot de nieuwe Vlaamse realisten gerekend mogen worden.

Vogelaar

Een verandering in de literatuur raakt nooit alle auteurs collectief. Er kunnen oudere, gevestigde schrijvers zijn die doorgaan met het uitbouwen van hun oeuvre. Ik denk hierbij niet alleen aan de langzamerhand bijna mythische Grote Drie, maar ook aan harde werkers als Louis Ferron en Willem Brakman, die zich weinig hoeven van de zwenking naar het realisme aan trekken. Maar het beeld van de verschuiving wordt sterk wanneer men kijkt naar de koerswijziging in het werk van enkele andere oudere auteurs. In de eerste plaats is daar het fenomeen Vogelaar. Lange tijd nam deze schrijver een unieke positie in omdat hij als vrijwel enige (Noord-)Nederlander een moeilijk toegankelijk, experimenteel proza schreef. Wat gebeurt er nu? Op het moment dat een academicus (Anthony Mertens in Sluiproutes en dwaalwegen) haarfijn uitlegt hoe dat brokkelproza in elkaar zit, publiceert Vogelaar zelf een roman waaraan tot ieders verbazing een kop en staart te ontdekken valt, De dood als een meisje van acht. Geen meeslepend proza als bij Van der Heijden, maar toch is de voorheen volstrekt onbegrijpelijke auteur een flink stuk in de richting van herkenbaar proza opgeschoven.

Vergelijkbaar is de ontwikkeling van Gerrit Krol. In zijn bondige, soms bijna aforistische proza was tot voor kort alleen op de achtergrond iets als een verhaallijn zichtbaar. Hij was een schrijver voor een klein publiek van liefhebbers die voor een grote verrassing zorgde toen hij in 1986 Maurits en de feiten liet verschijnen, een roman met een detectivestructuur. Het boek werd zelfs bewerkt voor de televisie - bij zijn voorgaande werk zou zoiets onmogelijk zijn geweest. Het betekent dat de roman een verhaal bevat dat naar een ander medium kan worden overgebracht.

De hier geschetste ontwikkeling is niet uniek voor Nederland. Ook elders, zoals in Amerika, zijn soortgelijke veranderingen te zien. Wel uitzonderlijk is de manier waarop de omslag zich voltrokken heeft. Meestal gaan veranderingen gepaard met veel krakeel: manifesten, parodieën, verketteringen, kortom alle literatuurpolitieke middelen die een jonge generatie gebruikt om de oude garde opzij te zetten. Zo verliep het toen de Tachtigers de macht overnamen, en later bij de Vijftigers. Maar in de jaren tachtig vindt de omslag in alle stilte plaats. Er is ook geen sprake van opeenvolgende generaties. De literatuur verandert doordat een aantal belangrijke auteurs anders begint te schrijven. De ontwikkeling vindt plaats binnen hun oeuvre, zonder dat er behoefte is aan luidruchtigheid.

Je zou bijna gaan geloven aan zoiets ongrijpbaars als de tijdgeest.