Waar is al die cultuur voor nodig? Gesprek met de pessimistische Duitse schrijver Michael Kruger

De moderne tijd mag op weinig instemming rekenen in de boeken van de Duitse schrijver Michael Krüger, tevens directeur van de grote uitgeverij Hanser. “Het idee dat de moderne mens het leven in eigen hand zou hebben, dat iedereen een kans heeft die je alleen maar hoeft te grijpen, daar geloof ik helemaal niet in,” zegt hij. Onlangs verscheen De man in de toren, zijn vijfde roman, waarin een schilder voorkomt die twee mislukte huwelijken achter de rug heeft. “Ik zal nooit een gelukkig paar kunnen beschrijven.”

Van Michael Krüger zijn de volgende boeken verkrijgbaar: "Hoezo ik?', "Het einde van de roman' en "De man in de toren'. Alle drie vertaald door Marion Offermans. Uitg. De Bezige Bij. Prijs ƒ 32,50. "Idyllen, illusies' vert. Cees Nooteboom. Uitg. De Bezige Bij. Prijs ƒ 29,90.

“Het hoort bij het tactloze gedrag van het weer de gemoedstoestanden te versterken, en niet alleen in de literatuur,” denkt de door de regen sloffende schilder die de hoofdpersoon is van De man in de toren, de zojuist vertaalde vijfde roman van Michael Krüger (1943). Krüger is dichter, schrijver, en directeur van de grote Duitse uitgeverij Hanser die onlangs Harry Mulisch' Die Entdeckung des Himmels uitgaf en binnenkort met de Duitse vertaling van Eerst wit, dan grijs, dan blauw van Margriet de Moor zal komen.

Op de stralende zomerse ochtend dat ik hem spreek, doet het weer er alles aan om een luchtig gesprek te bevorderen - zonnige groene blaadjes wuiven voor het open raam van zijn hotelkamer, buiten denderen trams en zingen fietsers, maar binnen zit iemand die voor deze overduidelijke wenken van de buitenwereld in het geheel niet gevoelig is. Michael Krüger ziet het allemaal zeer somber in voor ons, voor dit "hele Europa in het jaar van haar zogenaamde vereniging waar geen mens om geeft'. Wij staan, meent hij, voor de grootste crisis ooit, niet alleen economisch en ecologisch maar ook filosofisch, esthetisch, moreel.

“We produceren zo verschrikkelijk veel waar niemand zich om bekommert. Men is al jaren vergeten zich af te vragen waarvoor we al die cultuur eigenlijk nodig hebben. We gaan maar door met theaters te openen en musea te bouwen, elke zakdoek heeft zijn eigen museum. Daar besteden we, zeker in Duitsland, verschrikkelijk veel geld aan en niemand vraagt zich af: waarom doen we dat eigenlijk? Jack Lang heeft destijds gezegd: cultuur is goed, dat moeten we overal hebben - blijkbaar stond dat voor hem zo zeer als een paal boven water dat daar geen verdere uitleg bij nodig was. En iedereen knikt en doet of het gewoon is.

“Het is alsof een missionaris bij een vreemde stam komt waarvan de leden elk jaar op een bepaalde dag een pak boter op hun hoofd smeren. Ze doen dat al zo lang dat ze de reden niet meer weten. Ze weten alleen: oh, het is vandaag vijftien november, we moeten boter op onze kop hebben. Zo lopen wij de ene megatentoonstelling na de andere af zonder een flauw idee te hebben wat die boter op ons hoofd doet. Maar op zo'n vraag moet een antwoord gevonden worden, als we daar tenminste toe in staat zijn. Als je geen overtuigende verdediging voor je cultuur hebt, dan is die heel makkelijk te verwoesten.”

Het viel ook niet te verwachten dat hij een optimist zou blijken. Zijn boeken zijn even geestig als zwartgallig en de hopeloze strijd die de hoofdpersonen met de wereld leveren, toont steeds weer hoe slecht, dom en onverschillig alles er over het algemeen aan toe gaat. Zijn helden zijn intellectuelen van ergens in de veertig, onvoorstelbaar slecht opgewassen tegen het leven waar ze geen enkele greep op kunnen krijgen, behalve dan in de vorm van adembenemende volzinnen die zelden aan een ander mens besteed zijn. Nog niet eens hun eigen uiterlijk hebben deze denkers in bedwang, hun kleren scheuren en vlekken, ze snijden zich bij het scheren, de schilder uit De man in de toren raakt zelfs zomaar een tand kwijt, en hun omgeving verandert zonder dat ze daar moeite voor doen steevast in een krankzinnige puinhoop.

De academicus die zich in zijn hotelkamer wil scheren en wassen vindt zichzelf na korte tijd naakt en bloedend terug in een tot een "kamermoeras' omgetoverd vertrek. De begrafenisganger die in de stationsrestauratie een hapje wil eten, ondervindt daar zulke moeilijkheden met het verorberen van een zich in de erwtensoep bevindend "merkwaardig bleek worstje' (“Het sprong bij iedere hap met zoveel kracht tussen mijn tanden uit dat ik het tenslotte in zijn geheel doorslikte”) dat de ellendige gevolgen voor de maag niet uit blijven en hij, na ook nog een onvrijwillig bezoek aan de keuken waar hij "een concrete voorstelling' krijgt "van de manier waarop ze hier de worstjes aan de soep toevoegden', bespat, bevlekt en stinkend het bedrijf weer verlaat. Van de toren van de schilder blijft niet meer over dan een halfverbrande rune waar een walgelijke stank hangt en waarin de schilder overmeesterd wordt door een "aanhoudend, allesverterend gesnik'.

Radeloos

Zeker in de eerste drie novellen, met de aan radeloosheid niets te wensen overlatende titels: Wat te doen?, Waarom Peking? en Hoezo ik? vindt een bijna slapstickachtige opeenstapeling van rampen plaats. De moderne tijd mag op weinig instemming rekenen - overigens zonder dat daar een verheerlijking van een vroegere, betere tijd aan verbonden wordt - en wordt onophoudelijk bekogeld met verrukkelijk geformuleerde verwijten en bedenkingen. De laatste twee boeken Het einde van de roman en De man in de toren zijn ernstiger van toon, al ontbreekt ook daar de dolzinnige overdrijving niet.

Krüger heeft zelf beslist veel weg van zijn hulpeloze protagonisten. Met nauwelijks geveinsde ontzetting vertelt hij dat hij in allerlei commissies en prijzen zit, lid is van drie academies die allemaal weekenden en avonden opslokken en op de logische vraag waarom hij dergelijke lidmaatschappen en erebaantjes dan niet weigert, heeft hij weinig meer terug te zeggen dan dat hij nu eenmaal per ongeluk altijd in plaats van "nee', "misschien' zegt, wat na enige tijd steevast als "ja' genterpreteerd blijkt te worden.

“Het idee dat de moderne mens het leven in eigen hand zou hebben, dat iedereen een kans heeft die je alleen maar hoeft te grijpen, daar geloof ik helemaal niet in,” zegt hij. “Dat is een manier van denken waarbij het individu centraal wordt gesteld, terwijl je in het leven, en daar gaat ook de politiek van uit, steeds te maken hebt met groepen, met massa's zelfs. Daar worden kansen voor geschapen en beslissingen voor genomen, niet voor individuele personen, al doen je ouders het steeds voorkomen of jij iets voor jezelf kunt bereiken. In mijn leven is altijd alles toeval geweest, ik heb nooit gevochten voor een beter salaris of een betere woning of meer aanzien, voor niets, nooit. Ik was vreselijk lui, ik wilde niet studeren, als ik per ongeluk iets werd, dan overkwam me dat. Op die manier ben ik directeur van een uitgeverij geworden, dat betekent helemaal niets, dat is gewoon zo. Als morgen niemand meer boeken leest, dan wordt alles weer anders. Er zijn helemaal geen kansen te grijpen.

“Daarom hebben mijn heldjes altijd meer verwachtingen van het artistieke leven. In de kunst heeft alles zijn plaats, in het leven is dat beslist niet het geval. Het leven is helemaal niet het mooiste kunstwerk dat er is, het leven is in het geheel geen kunstwerk. Er gebeurt maar gewoon van alles, je hebt geen jas bij je als het regent, je mist de trein, je hebt geen vrouw. Mijn hoofdpersonen weten dat er bij alles wat ze ondernemen van alles mis zal gaan maar ze doen het toch maar, omdat ze niet weten wat ze anders moeten doen. Zo ben ik ook. Sterker, het is mijn overtuiging dat het in het leven zo toegaat.”

Lui

Dat Krüger ooit lui geweest zou zijn, is moeilijk voorstelbaar. Hij weet niet bepaald de indruk te geven dat hij niets doet. Integendeel. Aan de uitgeverij en officiële literaire verplichtingen zoals die academies, prijsuitreikingen, voor- en nawoorden besteedt hij dagelijks zo'n tien tot twaalf uur. Daarnaast schrijft hij, hij is een hartstochtelijk lezer, van poëzie vooral, van proza natuurlijk, en ook van filosofie. Hij houdt van beeldende kunst en is een gretig museumbezoeker, al gaat hij in zijn boeken vreselijk te keer tegen de bij de kunst horende pretenties, tegen het gezwam en de gemakzucht, tegen een "cultuurtheorie die qua schamelheid haar aanleiding nog overtrof'. Slapen lijkt hij nauwelijks te doen, niet uit onwil, maar uit onvermogen. Wat hem, dat is dan weer een geluk bij een ongeluk, veel extra tijd oplevert.

Want voor kunst heb je tijd nodig. Veel tijd. “Lezen is een van de inspannendste bezigheden die er is,” zegt hij streng. “Cultuur is werk, er is heel veel werk verzet voordat we van een Europese cultuur konden spreken. Cultuur is geen vermaak of amusement zoals iedereen nu zo graag wil denken: komt er een dichter, dan ook een goochelaar en een vrolijk muziekgroepje. Tentoonstellingen met schilderijen waarvoor je een heleboel moeite moet doen om te begrijpen wat je ziet worden massaal bezocht en "prachtig' gevonden. Die mensen liegen natuurlijk, al zijn ze ongetwijfeld op zoek naar iets.”

Waar de mensen naar zoeken daar heeft hij, ook als uitgever, wel een idee van.

“Ineens grijpt iedereen naar boeken waarin een leven verteld wordt, waarin het over een ervaring gaat die te herkennen is, er bestaat een enorme behoefte aan identificatie, bij gebrek aan een leidend idee. Als het leven opgeschreven is, dan kan men daar ook zijn eigen verhaal in herkennen. Dat geeft een gevoel van zinvolheid. Dat is zeker een van de redenen waarom Mulisch' boek zo'n succes is geworden in Duitsland. Dat boek is, naast wat het verder is, ook een ontwikkelingsroman waarin een tijd beschreven wordt die mijn generatie, maar ook de vorige en de volgende, meegemaakt heeft. Het spel met de eigen biografie doet ook iets met de biografie van de lezer. Natuurlijk is dat geen afdoende verklaring, een boek moet niet alleen het juiste boek op het juiste moment zijn maar het moet ook treffen.

“Waarom een boek treft is nooit helemaal te begrijpen. Als je bijvoorbeeld de inhoud van Cees Nootebooms boek Het volgende verhaal zou samenvatten: een classicus wordt wakker in Lissabon maar hij is niet in Lissabon en hij denkt aan Socrates enzovoort, dan geloof je niet dat iemand daar aan wil. Maar de mensen rukten het elkaar in Duitsland uit de handen. In Nederland niet, dat weet ik wel, maar dat geeft ook niets. Die mallotige internationalisering van de literatuur, die rampzalige gedachte dat alles wat in Amerika succes heeft het hier ook moet hebben, dat is allemaal zo onbelangrijk.”

Hij verliest zich met graagte in een tirade tegen de platvloersheid van veel Amerikaanse romans, soap-boeken die hij voor geen geld, nog niet eens voor een huis in dit heerlijke Amsterdam, zou willen lezen. Donna Tartt, snuift hij. Slaapverwekkend. Twintig bladzijden heeft hij er met lange tanden van weggekauwd, toen had hij het wel weer gezien. “Dat is geen boek, dat is een bestseller.” Voor een uitgever misschien toch niet onaantrekkelijk?

“Ik zou zo'n boek nooit publiceren, dat is helemaal niet mijn idee van uitgeven. Niet dat ik er nu zo'n succesvolle opvatting op na houd, maar er zijn precies genoeg lezers voor de boeken die ik wil uitgeven. Ik ben op zoek naar ideeën die een kiem van iets nieuws in zich dragen, naar literatuur waarin iets bewaard wordt dat nergens anders te vinden is. Ik hoef er niet rijk van te worden, ik heb liever tien procent meer goede auteurs in het fonds dan tien procent meer winst.”

Ambitie

Welke eisen Krüger aan de kunst stelt, wordt vooral duidelijk uit zijn laatste twee boeken. Zowel de schrijver die in Het einde van de roman langzaam maar zeker zijn hele boek weggooit, omdat steeds minder hoofdstukken de toets van zijn nietsontziende kritiek kunnen doorstaan, als de schilder in de toren die zich voorneemt de wisselende seizoenen voor eens en altijd op het doek te zetten, hebben de ambitie om iets boven te halen uit nooit eerder gepeilde diepten, om onbereikbare gebieden te betreden. Daarvoor moeten zij zich volledig aan zichzelf over geven, met veronachtzaming van al het andere onbevreesd in zichzelf op zoek gaan naar een schoonheid die "de luie hersens, het poreuze gevoel, de erbarmelijke onwetendheid' kan opschrikken.

De succesvolle maar met zijn eigen voortbrengselen geenszins tevreden schilder denkt er zo over: “De schoonheid moet van de andere kant van de dood komen, moet iets aan de dood hebben ontrukt, en van die nog trillende triomf moet het schilderij een bewijs zijn als het een schilderij wil zijn en niet een willekeurige cheque, een belachelijke brutaliteit met het oog op het bestaande.”

Krüger is ervan overtuigd dat de ware kunstenaar een dergelijke ambitie heeft. “Elke schilder, en dat geldt mutatis mutandis ook voor elke schrijver, heeft de wens het enige, het laatste schilderij te schilderen. Ook al is dat alleen maar een blauw vlak, dan wil hij toch het definitieve blauwe vlak schilderen, daarna kan er geen meer komen. Als je niet ook het idee van de dood van het schilderij hebt, dan schilder je kitsch, amusement.”

Uiteraard stelt het leven alles in het werk om een dergelijke definitieve prestatie te verhinderen en meer in het bijzonder vrouwen kunnen uitzonderlijk verstorend werken. De Krüger-man heeft een hoog ontwikkeld vermogen om zich in een vrouw te verliezen, gepaard aan een even groot onvermogen om het met enige vrouw uit te houden. De begrafenisganger uit Hoezo ik? had daar een troostrijke, want hemzelf van alle schuld vrijsprekende socio-biologische verklaring voor, die de keuze van een bepaalde man voor een bepaalde vrouw helemaal aan het genetisch materiaal toeschrijft. “Naar alle waarschijnlijkheid bezat ik namelijk dat snufje genen, dat elke door de wil gestuurde poging om gedurende langere tijd redelijk met een vrouw samen te leven, verijdelde, terwijl anderen, die zo'n genengarnituur niet hadden te betreuren, in de grootste eensgezindheid met een vrouw of naar believen vele vrouwen konden leven.”

De schilder heeft eveneens twee mislukte huwelijken achter de rug en weinig vooruitzichten op een langdurige geslaagde verbinding. Tijdens zijn verblijf in de toren duikt plotseling een onbekende vrouw met een enorme neus op die hem de twee gelukkigste dagen van zijn leven bezorgt om daarna weer spoorloos te verdwijnen, hem door elkaar geschud en zeldzaam produktief achterlatend. “Was je gebleven, vreemde zonder naam, dan zouden er geen schilderijen zijn, alleen maar illusies.” Hij is met haar in het paradijs geweest, zij heeft hem eruit verstoten, nu kan hij dag en nacht werken: schilderen en Dante vertalen. Het paradijs. De hel.

“Ik zal nooit een gelukkig paar kunnen beschrijven,” zegt Krüger. “Ik droom er wel van om met iemand te leven, maar ik moet daar ook tegen vechten. Ik vecht tegen alles, ik verbaas me er soms over dat ik nog in leven ben. Ik moet absoluut tweehonderd jaar oud worden en dan zal ik twintig procent gelezen en gezien hebben van wat er te lezen en te zien is. Ik wil zo verschrikkelijk veel, reizen en ergens blijven en uitgeven en schrijven en samen zijn en alleen zijn... Ik wil alles. Alles.”

Dat lijkt typerend voor hem en zijn personages. Ze lijden onder een te groot verlangen. Ze worden verscheurd door een hevige en tegenstrijdige behoefte aan overgave, aan de kunst en aan de liefde, aan het sociale en het individuele.

Krüger fantaseert intussen onbekommerd over de toenemende medische mogelijkheden die hem dankzij reeksen transplantaties in staat zullen stellen de tweehonderd kerngezond te halen. Hij vertelt met een mengeling van afkeer en fascinatie over de computerdeskundige Bill Gates die in een gesprek in Der Spiegel beweert dat het over een paar jaar mogelijk zal zijn om op je muur elk schilderij, elke voorstelling te projecteren die je wilt, zo echt als maar kan. Het zijn niet meer dan drie zinnen in een pagina's lang interview, maar Krüger heeft er al allerlei bijzonderheden over te vertellen waar Gates alleen nog van kan dromen. Ook ziet hij de gevolgen al duidelijk voor zich: de hele wereld zal thuis blijven zitten en op knoppen drukken die een virtuele werkelijkheid in de plaats zullen stellen van de echte. Boeken lezen zal dan helemaal niemand meer doen, dat is trouwens nu al zo'n ouderwets idee. Hij staart somber naar buiten waar plotseling de werkelijkheid toch de aandacht weet te trekken.

“Een eend,” roept hij verrukt, “ik zie een eend. Ik hou toch zo van Amsterdam! Al dat water en de eenden en de huizen zo schots en scheef. Elk huis is hier anders. Moet je dat eens vergelijken met de keurig gerestaureerde Duitse binnensteden. Ik zou hier wel willen wonen. Vannacht hoorde ik een plons, dus ik rende naar mijn raam om te kijken of er soms een lijk in de gracht werd gegooid, maar er zijn niet zo veel lijken meer in Amsterdam hè? Waar zijn de drugsverslaafden hier gebleven? Verderop?”

Hij vertelt over het leger junks dat hij in Zürich zag, dat gebogen en met doffe ogen op de methadon-uitdeling staat te wachten, precies als de mensen in Berlijn tijdens de crisisjaren. “Toen stonden ze in de rij voor soep, nu voor een kick.” Zo komen we toch weer op de naderende nieuwe crisis en het morele deficiet van de Westerse wereld. Ik denk aan een zin uit Het einde van de roman: “Er was niets ergs gebeurd, alleen dat alles op een heel vrolijke manier steeds erger werd.”