Voor beginnende kunstenaar is kans op steun verkeken

Het wordt tijd dat duizenden kunstenaars in Nederland, wier werk toch niet verkocht wordt, maar eens een echt vak gaan leren. Minister d'Ancona van cultuur zegt het niet zo, maar haar plan dat afgelopen woensdag door de Tweede Kamer vrijwel zonder slag of stoot werd aangenomen, komt daar wel op neer. De zojuist afgetreden staatssecretaris Ter Veld van Sociale Zaken (ook PvdA) zat naast haar en hield de leden van de Kamercommissie voor dat er in de culturele sector waarschijnlijk genoeg banen zijn voor al die kunstenaars die zij niet langer in de bijstand wil hebben.

Ter Veld wilde de uitvoering van de bijstandwet aanscherpen en dat de regels strakker gehanteerd worden, zonder uitzonderingen, die oneigenlijk gebruik maar in de hand werken. Dat is begrijpelijk, gezien de problemen waarin we met ons stelsel van sociale zekerheid verzeild zijn geraakt.

Maar het is onbegrijpelijk dat de minister van cultuur duizenden kunstenaars, niet alleen beeldende, maar ook musici en podiumkunstenaars, zo in hun kansen beknot.

Voor twaalfhonderd beeldende kunstenaars, die nu van het Fonds voor Beeldende Kunst, Vormgeving en Bouwkunst (BKVB) een beroepskostenvergoeding met behoud van uitkering krijgen, wordt per 1 januari 1994 een speciaal stipendium gecreëerd. Ze krijgen van het Fonds voor een periode van vier jaar jaarlijks 22.500 gulden bruto om van te leven (niveau bijstandsuitkering) plus 5.000 gulden om doek en kwasten te kopen (beroepskostenvergoeding). De overige kunstenaars, beeldend en niet-beeldend, vallen per 1 januari onder de aangescherpte bijstandswet. Dat betekent dat ze net als alle andere kleine zelfstandigen in de bijstand één jaar de kans krijgen om een zelfstandige beroepspraktijk op te bouwen. En lukt dat niet in een jaar dan moeten ze ander werk zoeken. Een soepele behandeling, bijvoorbeeld vrijstelling van sollicitatieplicht als je kunt aantonen dat je als kunstenaar actief bent, is verboden. Sociale diensten in sommige gemeenten die zulke soepele regelingen hebben ingevoerd, omdat de sollicitatieplicht bij zoveel werkloosheid zinloos lijkt, kunnen strafkortingen tegemoet zien als ze toch soepel zijn voor kunstenaars.

Nu is er niet veel fantasie voor nodig om te begrijpen dat zeker beginnende kunstenaars, of het nu dansers, musici of schilders zijn, niet binnen een jaar hun plaats veroverd hebben op de schrale kunstmarkt. Verschillende kunstenaarsorganisaties, maar ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Raad voor de Kunst hebben de minister daar al op gewezen.

Tevergeefs, zo is gebleken. Ze was er niet op uit geweest het hele probleem van de kunstenaars in de bijstand op te lossen, alleen het probleem van de beeldende kunstenaars met een beroepskostenvergoeding, zei ze. En ze wilde, omdat de Kamer daarom vroeg, wel eens in een "verkennende notitie' de overige problemen bestuderen. Maar, zo zei ze erbij, of er nog wat extra geregeld kan worden, daarop moet de Kamer niet te veel rekenen. En over hoe beginnende kunstenaars het straks moeten rooien verwezen de minister en Ter Veld vaag naar "een soort Jeugd Werk Garantieplan-achtige oplossing'. En de Kamer vroeg verder niets.

De boodschap is duidelijk. Van deze minister hoeven de kunstenaars die maar moeilijk aan de bak komen en niet tot de twaalfhonderd stipendium-ontvangers behoren weinig te verwachten. “Steeds sterker wordt de indruk dat dit kabinet niet voldoende verkopende kunstenaars als hinderlijke uitvreters beschouwt. De opvatting dat scheppende arbeid slechts via de indirecte weg van gewenning en groeiend inzicht tot in breder kring aanvaarde resultaten leidt, wordt als vaag geklets ter zijde geschoven (...) Kunst moet onmiddellijk op de vrije markt verkocht kunnen worden, zoals dat ook met koek en schoenveters gebeurt”, stond er in het hoofdartikel in deze krant bij de afschaffing van de Beeldende Kunstenaars Regeling (BKR) op 26 juni 1986.

Minister d'Ancona heeft blijkens de maatregelen die ze nu neemt, geen wezenlijk andere opvattingen dan haar voorganger Brinkman. Het is onbegrijpelijk dat minister d'Ancona, nu Sociale Zaken na zeventig jaar (BKR en kunstenaars in de bijstand) de verantwoordelijkheid voor het kunstbeleid bij de minister van cultuur legt, niet een structurele oplossing zoekt voor de problemen van het merendeel van de Nederlandse kunstenaars die, hoe marktgericht ze ook werken, gewoon niet kunnen leven van wat ze op de kunstmarkt verdienen.

Het is des te onbegrijpelijker omdat een structurele oplossing voor de problemen van al die matig verdienende dansers, musici en beeldend kunstenaars haar op een presenteerblaadje is aangeboden. Het Voorzieningsfonds voor Kunstenaars heeft een plan gepresenteerd voor een basisfonds voor kunstenaars. Alle professioneel werkende kunstenaars kunnen uit dat fonds een uitkering krijgen ter hoogte van driekwart van het bijstandsniveau (900 gulden per maand) en moeten de rest zelf bij verdienen.

In dit plan zit zowel een prikkel om marktgericht te werken, als de notie dat de meeste kunstenaars het in Nederland niet zonder steun redden op de kunstmarkt. Haalt de kunstenaars met bijverdiensten het niveau van het minumumloon, dan stopt de uitkering uit het basisfonds. Dit voorstel lijkt eerder een uitweg te bieden voor het totale probleem van de kunstenaars in de bijstand, dan de nu gekozen deeloplossing van twaalfhonderd beeldende kunstenaars.

Het is tekenend voor het beleid van de huidige minister van cultuur in deze kwestie dat ze deze oplossing niet aandurft, zelfs amper een woord waardig achtte. Maar misschien moeten we van een minister die onlangs over deze problematiek bij een opening van een kunstmanifestatie in Amsterdam zei, dat "echte kunstenaars ook zonder steun wel doorzetten' wat dit betreft niet te veel meer verwachten.

    • Paul Steenhuis