Volleerde marionettenspelers; De nominaties voor de Gouden Strop

Wie wint aan het eind van deze maand, die is uitgeroepen tot de Maand van het Spannende Boek, de Gouden Strop, de prijs voor de beste misdaadroman? Genomineerd zijn Tomas Ross, Jef Geeraerts, Theo Capel, Jac. Toes en Bob Mendes.

Tomas Ross: Wachters voor Wilhelmina. Uitg. Het Spectrum, 279 blz. Prijs ƒ 29,90.

Jef Geeraerts: Het Rashomon complex. Uitg. Manteau, 330 blz. Prijs ƒ 32,50.

Theo Capel: Koud gepakt. Uitg. Luitingh-Sijthoff, 232 blz. Prijs ƒ 29,90.

Jac. Toes: Dubbelspoor. Uitg. De Boekerij, 284 blz. Prijs ƒ 29,90.

Er zijn weinig prijzen waarbij de kans genomineerd te worden zo groot is als bij de Gouden Strop, die op 24 juni wordt uitgereikt: vijf nominaties op gemiddeld twintig à vijfentwintig titels. Twee van de vijf genomineerden wonnen de prijs voor de beste misdaadroman al eerder: Tomas Ross (nu genomineerd met Wachters voor Wilhelmina) en Jef Geeraerts (Het Rashomon complex). Verder een oudgediende (Theo Capel: Koud gepakt) en een debutant (Jac. Toes met Dubbelspoor) Het vijftal wordt gecompleteerd door Bob Mendes, wiens vijfde, uitstekende roman Vergelding. Voorspel tot Saddams oorlog, hier op 30 april werd besproken. De jury lijkt te hebben gekozen voor de routine.

Van Tomas Ross is bekend dat hij graag op papier affaires oplost die in werkelijkheid nooit geheel zijn opgehelderd. Zo ook in Wachters voor Wilhelmina. In de zomer van 1947 keert een voormalige Nederlandse SS'er terug naar Den Haag met in zijn bezit een Duits document waarin onomstotelijk wordt bewezen dat de geallieerde luchtlandelingen bij Arnhem zijn verraden door de dubbelspion Chris Lindemans alias King Kong. Pieter Nolten, neef van oud-premier Gerbrandy en voormalig agent van de Nederlandse regering in Londen, krijgt de opdracht het document te onderscheppen. Hij beseft niet dat het document uiterst compromitterend is voor koningin en regering.

In Wachters voor Wilhelmina bleef Tomas Ross dicht bij huis. Wanneer Nolten bij de Centrale Veiligheids Dienst (de voorloper van de BVD) aan de bel trekt, ontwaart hij boven de bel een naambordje: P.G. Hogendoorn - een minirol voor de vader van Tomas Ross (een pseudoniem voor Willem Hogendoorn). Hogendoorn senior was een van de rechercheurs van het Bureau Nationale Veiligheid (op haar beurt de voorganger van de CVD) die King Kong vlak na de oorlog hebben verhoord. Hogendoorn junior maakt het verhaal rond dat zijn vader niet rond kon krijgen, waarbij hij de historische gegevens net zolang kneedt totdat ze in zijn werkelijkheid passen. Het is vooral de flinterdunne scheiding tussen feiten en historische verdachtmakingen aan de ene kant en verzinsels en fictieve verdachtmakingen aan de andere kant die zorg dragen voor een intrigerend verhaal. Zo maakt Ross handig gebruik van de knetterende ruzie die werd uitgevochten tussen het hoofd van het BNV (L. Einthoven) en het hoofd van de Politieke Opsporings Dienst van datzelfde Bureau (W.E. Sanders). De laatste zou schaduwdossiers hebben aangelegd en die bij zijn vertrek in 1946 hebben meegenomen. Vooral de wijze waarop beiden de touwtjes hanteren en als volleerde marionettenspelers anderen het vieze werk laten opknappen, maakt indruk. Ross maakt er een sluitend verhaal van, met een prachtig diffuus begin en een kristalhelder eind.

Opus Dei

Jef Geeraerts uit zich zelden positief over zijn vaderland. En in het bijzonder niet over de katholieke kerk, "het meest verderfelijke instituut dat ik ken'. Geeraerts kan het weten, want hij is schoolgegaan bij de Jezuëten. En het wordt steeds erger. Eerder schreef Geeraerts al over de Bende van Nijvel, in Het Rashomon complex brengt hij de Bende in verband met Opus Dei, een volgens hem verbeterde versie van de Jezuëtenorde die voornamelijk gesteund wordt door rechtse politici - katholiek of niet. De titel verwijst naar een Amerikaanse theorie gebaseerd op de Japanse film Rashomon: de burger is geneigd zich neer te leggen bij de laatst gepresenteerde versie van de werkelijkheid. Die laatste versie komt erop neer dat de Bovenste Zwarte Cirkel (de top van Fatsoenlijk Rechts) sterk benvloed wordt door Opus Dei, zodanig dat legaal verkregen overheidsgelden worden doorgesluisd naar Opus Dei. In Het Rashomon complex staat de verwevenheid van de politieke macht en de magistratuur (en daarmee de verloedering van het gerecht) centraal, met als standaardmachinaties het zoekmaken van dossiers en het wegpromoveren van overheidsdienaren. Het kan allemaal in het land waar de koning lid is van de Opus Dei en prinses Astrid getrouwd is met de neef van de topman. Geen wonder dat de rechercheurs Vincke en Verstuyft er geen vinger achter krijgen.

Karel Holvoet is zaakgelastigde van een advies- en beleggingskantoor dat gespecialiseerd is in belastingontwijking. De man wordt dood in het wrak van zijn auto aangetroffen. Autopsie wijst evenwel uit dat hij is vermoord. Enkele dagen later komt ook zijn zoon jammerlijk om het leven. Het spoor leidt via de Vlaamse firma Duroplast naar off-shore bedrijven in de Dominicaanse Republiek, en naar een door de Spaanse Opus Dei overgenomen bank. Vincke en Verstuyft geraken niet veel verder dan de arrestatie van iemand uit de Onderste Cirkel, die bestaat uit lieden die graag schieten en zich van hogerhand beschermd weten.

Onderzoeksrechter Van Heede, een van de weinigen die nog niet is meegezogen in de corruptie: "Het is een financiële ekonomische en politieke macht onder het mom van orthodox katolicisme die zich dankzij de enorme groei van Rechts in heel Europa en Amerika, plus de geestelijke steun van het Vaticaan onder Johannes Paulus II, heel snel uitbreidt.' Vecht daar maar eens tegen. De concentratie van dubieuze elementen is in Het Rashomon complex aan de hoge kant, maar mocht een fractie van het vertelde de werkelijkheid benaderen dan ziet het er voor de Belgen niet best uit - en Geeraerts heeft iets te vaak gelijk gekregen om hem af te doen als een paranode fantast.

Krabbelaar

In 1986 verklaarde Theo Capel tegenover de Volkskrant: "Nee, nee. Ik ben opgegroeid met kapitein Rob, en die is nog steeds niet dood.' De vraag was of het niet eens tijd werd zijn vaste held Hank (spreek uit Henk) Stammer een heldendood te laten sterven. Het interview vond plaats naar aanleiding van de verschijning van Capels vijfde boek. Inmiddels is zijn achtste thriller verschenen, Koud gepakt. Voorin staat geschreven: "In goede herinnering aan kapitein Rob en zijn trouwe Samojeed Skip. Dat zijn naam onbezoedeld mag blijven.' Kapitein Rob is niet meer maar Stammer, de sympathiekste kleine krabbelaar die de vaderlandse misdaadlitertuur te bieden heeft, leeft gelukkig nog.

Stammer is immer goedgemutst en treedt zijn opponenten tegemoet met het optimisme van een bokser die weet dat de volgende klap zijn neus weer zal rechtzetten. Het is zijn voortdurende cynische commentaar op alles en iedereen om hem heen dat het boek staande houdt - niet zozeer de plot, die is tamelijk mager. Het commentaar geldt mannen met staartjes in fluoriserende trainingspakken die niet in een bestelbusje rijden maar in een van, en vrouwen met aan hun voeten pantoffels in de vorm van witte dwergpoedeltjes. Stammer, die de wijze raad van zijn familie toch vooral een zekere baan bij het Spoor te nemen in de wind heeft geslagen en voor zichzelf een incassobureau is begonnen, peutert met speels gemak informatie los van een minderjarige bankemployée, de buurvrouw van een verdachte en een taxichauffeur die de clientèle van de Alkmaarder gevangenis persoonlijk kent. Het stoort de lezer amper. De oplossingen die Theo Capel kiest zijn oplossingen die in een roman die volledig door spanning moet worden gedragen, misplaatst zouden zijn. Stammer weet dat hij in de nabije toekomst naar de seksclub Copacabana in het Twentse Reutum moet en weet ook dat hij er verstandig aan doet daar niet zonder pistool binnen te treden. Maar hoe kom je als eenvoudig incasseerder aan een pistool? Simpel. Je parkeert je auto in Amsterdam, wacht tot er een iemand tegenaan rijdt en pakt diens vuurwapen af. Met genoegen gelezen, maar de aanduiding thriller op de cover doet iets potsierlijk aan. Het is meer kapitein Rob.

Cocktailspecialist

Dubbelspoor van debutant Jac. Toes is het vijfde boek dat werd genomineerd voor de Strop, en met wat meer doorzettingsvermogen aan de kant van de auteur zou het wellicht tot de kanshebbers hebben behoord. Het boek begint verdienstelijk, maar het eind maakt evenwel duidelijk dat Toes er domweg zelf niet meer uitkwam.

De dood treedt bij Toes wel heel erg plotseling in. De eerste zin van het eerste hoofdstuk Het boek begint aldus: "De barkeeper zag het lijk het eerst...' De hoofdpersonen Fred Benter ("cocktailspecialist tevens freelance juridisch adviseur') en Donald de Wacht ("beroepspessimist en oorlogscorrespondent in ruste') zitten toevallig aan de bar op het moment dat het lijk van de eigenaar van het café via de lift van de kelder naar de eerste verdieping wordt getransporteerd. Eén oog bungelt aan een aantal draden op zijn wang. Er volgen meer moorden, die alle te maken hebben met een mislukte sabotage van een munitietrein een tiental jaren eerder. Voor de lezer is het daarna jammer genoeg aftellen: elke dode brengt de dader beter in beeld. Misschien dat Toes bij het schrijven in filmbeelden heeft gedacht, maar op papier werkt zo'n plotseling opduikende dode niet. We volgen een joggende agent: "Bij het uitkomen van die bocht struikelde hij bijna over een hoofd, dat midden op het pad lag.' Wat dat betreft is het gerechtigheid dat de dader op een zelfde wijze de dood vindt: "De intercity, die de kever in de flank greep, had op dat moment een snelheid van honderdzevenentwintig kilometer per uur...' Honderdzevenentwintig, en geen kilometer langzamer.