Treurige alledaagsheid; Hermine Landvreugd over verveelde twintigers

Hermine Landvreugd: Het zilveren theeëi. Uitg. De Bezige Bij, 220 blz. Prijs ƒ 30,-

Iemand die debuteert voor zijn of haar vijfendertigste geldt tegenwoordig als een jonge schrijver. De debutant heeft meestal thuis al flink geoefend alvorens zich bloot te geven. Marcel Möring nam een aanloop van twintig jaar voordat hij zijn eerste boek publiceerde, net als Hermine de Graaf, die ook al vanaf haar twaalfde schreef. P.F. Thomése deed naar eigen zeggen tien jaar over zijn debuut. En Margriet de Moor en Atte Jongstra, om nog een paar voorbeelden te noemen, gingen al evenmin over één nacht ijs.

Bestaat de zorgeloze debutant nog wel? Hermine Landvreugd, geboren 1967, lijkt een uitzondering op de regel. Maar hoe zorgeloos ben je als je, zoals zij deed, eerst een vierjarige schrijversvakschool doorloopt? In haar eerste verhalenbundel, Het zilveren theeëi, speelt verveling een belangrijke rol. De verhaalfiguren, de meesten begin twintig, vervelen zich op een nogal existentiële manier. Ze weten niet waar het heen moet met hun leven en ze zijn naarstig op zoek, naar ontsnapping uit de sleur van alledag. En of het nu om studie, liefde of vriendschap gaat, - steeds zitten er allerlei gevoelens in de knoop en geheime verlangens in de weg.

Zoiets neemt ik tenminste maar aan, want gepraat of nagedacht wordt er in deze bundel nauwelijks. ”Als iedereen gewoon altijd zijn mond dichthield, zou het leven veel leuker en eenvoudiger zijn die een algemener gevoelen lijkt te verwoorden. Als niemand iets zei, behalve dingen die je echt moet weten, zoals wanneer de bank open is en of er salmonella in de eieren zit,' meent een van de hoofdpersonen. Zij lijkt een algemeen gevoelen te verwoorden.

De uitweg uit de verveling wordt gezocht in een licht criminele of althans verboden sfeer van winkeldiefstal, tasjesroof, verdovende middelen.

De schrijfster lijkt al even naarstig als haar verhaalfiguren op zoek, maar dan naar een eigen stijl, een richting, of een bewering. De verhalen geven een weinig afgeronde en tamelijk leeghoofdige indruk, al is de toon er niet minder jofel om. Het jofele zit hem vooral in de losse, spreektalige manier van vertellen en in het populaire taalgebruik. Het zilveren theeëi wordt bevolkt door aso's, kuteenden, kankerbitches, kankerhoeren en kankerlijders en trouwens ook door tyfus- en kutturken, want Landvreugds verhaalfiguren zoeken het niet speciaal in de nuance. ”Ze hebben van nature de neiging tot veelwijverij', zegt een vrouw die moeite heeft met een gekleurde schoonzoon. ”Maar ik wil ze natuurlijk niet over een kam scheren.'

Ook homoseksuelen en vrouwen moeten het ontgelden en om iedere schijn van positieve discriminatie te vermijden, laat Landvreugd in een van de verhalen een onsympathieke zwarte Zuidafrikaan optreden die zijn zogenaamde vluchtelingenstatus gebruikt om vieze filmpjes met kleine meisjes te kunnen maken.

Een geëngageerd schrijfster zou ik Hermine Landvreugd niet meteen willen noemen. Haar bundel is merkwaardig standpunt- en uitdrukkingsloos. Het lijkt haar er vooral om begonnen te provoceren, en dan vooral in het seksuele. Want dat is waar de verhalen het van moeten hebben: van poep- en plasseks, fellatio in een telefooncel, exhibitionisme, en van vleugjes SM, geronto- en pedofilie. Maar wie de broeierige en pikante details even wegdenkt, houdt ongenspireerde verhalen over, van een treurige alledaagsheid, door niets gecompenseerd: geen verrassende ontknoping, geen bijzondere waarnemingen, en al helemaal geen humor.

Hermine Landvreugd legde zich wel erg gemakkelijk neer bij de gedachte dat het leven is zoals het is en dat het van zichzelf al interessant genoeg zou zijn. Misschien wilde zij een zorgeloze debutante zijn, al had iets meer schrijftraining geen kwaad gekund.