Rennen voor je leven in "toch een normale stad'

ZENICA, 4 JUNI. Met gevaar voor eigen leven is ze langs de Servische sluipschutters uit Sarajevo ontsnapt. “Ogen dicht en hard rennen”, zegt ze laconiek. Azra Arslanagic (24) had maar één doel voor ogen: Zenica in Centraal-Bosnië te bereiken om daar zorg te dragen voor de evacuatie van drie Bosnische sportteams. De 21 Bosniërs - schutters, atleten en kajakvaarders - gaan namens Bosnië-Herzegovina deelnemen aan de onder auspiciën van het Internationaal Olympisch Comité georganiseerde Mediterrane Spelen, die op 16 juni in Montpellier beginnen.

Oorspronkelijk lag het in de bedoeling de Bosnische sporters per vliegtuig vanuit Sarajevo naar Frankrijk over te brengen. De voorzitter van het IOC, Juan Antonio Samaranch, zou dat hebben toegezegd maar volgens Arslanagic “hebben we daarna nooit meer iets gehoord”. Door bemiddeling van UNPROFOR en buitenlandse hulporganisaties wisten de meeste sporters Bosnië toch te verlaten. Twee kajakvaarders, acht atleten, tien schutters en een teamleider hadden zich twee maanden geleden in Zenica gemeld maar kwamen vast te zitten, toen in Centraal-Bosnië Kroaten en moslims slaags raakten.

Arslanagic werd in opdracht van de Bosnische minister van sport naar Zenica gestuurd om de strijdende partijen te bewegen de sportteams vrije doorgang te verlenen. Na acht dagen onderhandelen kreeg ze die toestemming. Vandaag zullen de 21 Bosniërs kunnen meerijden met een UNPROFOR-konvooi dat gewonden uit Kiseljak naar de Kroatische stad Split overbrengt. De kajakvaarders zullen daar zonder hun boot arriveren want die bevindt zich nog in hun woonplaats Maglaj. Dit stadje is inmiddels bijna geheel verwoest, als gevolg van dagelijkse Servische artilleriebeschietingen.

De aan de Spelen in Montpellier deelnemende Bosnische sportploeg is samengesteld uit leden van de drie elkaar in Bosnië zelf bevechtende etnische groepen. Ze laat de lijst zien van de 21 atleten die vandaag naar Kroatië gaan: vijf Serviërs, acht moslims, vijf Kroaten en drie mensen van gemengde afkomst. “Dat bewijst dat er nog steeds Serviërs zijn die in een multi-etnisch Bosnië-Herzegovina geloven”, zegt Arslanagic. Dat het fenomeen "Bosnisch schuttersteam' dezer dagen wat merkwaardig overkomt, zal haar een zorg zijn. “Het gaat om professionele sportlieden.” Ze beaamt wel dat sommige sportschutters in de oorlog actief zijn. “Ik hoorde onlangs op de Servische radio in Sarajevo trots aankondigen dat een van hun meest gerespecteerde sluipschutters een bekende Bulgaarse schutterskampioene is. Sommige moordenaars mogen dan goede schutters zijn, maar niet elke goede schutter is daarom een moordenaar.”

Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat een deel van de Bosnische atleten in Frankrijk zal achterblijven, maar Arslanagic betwijfelt dat. Zelf heeft ze acht maanden aan het front gediend en raakte daarbij door een granaatsplinter gewond aan haar ruggegraat. Toch gaat ze weer terug naar haar woonplaats, dwars door de frontlinies heen. “Ondanks alles is Sarajevo nog een normale stad”, zegt ze. “Er zijn concerten en andere sociale activiteiten. Sarajevo is mijn leven, ik hoor daar thuis.”