OESO en werkloosheid

WERKLOOSHEID in de industrielanden dreigt uit te groeien tot het grootste economische probleem van de jaren negentig. Gealarmeerd door de stijging van het aantal werklozen en door het hardnekkige karakter van de werkloosheid hebben de lidstaten van de OESO, de club van 24 rijkste industrielanden, zich deze week gebogen over remedies om het tij te keren.

De cijfers liegen er niet om: eind dit jaar wordt in alle OESO-landen samen gerekend op zo'n 36 miljoen werklozen, een stijging met tien procent vergeleken met eind vorig jaar. Vooral in de Westeuropese OESO-landen stijgt de werkloosheid, voor dit jaar op 23 miljoen mensen geschat. Het Amerikaanse probleem is dat de werkgelegenheid, ondanks het economische herstel, niet echt wil aantrekken. In Japan ligt de officiële werkloosheid aanzienlijk lager, maar ook daar neemt het aantal werklozen toe nu de Japanse industrie niet langer in staat is de kosten van levenslang gegarandeerde werkgelegenheid of van nietsdoen in dienstverband te dragen.

VOLGENS DE OESO bestaat het gevaar van een "sociale explosie'. Dat geldt in het bijzonder voor West-Europa, waar de politieke ontreddering over de economische stagnatie leidt tot toenemende druk op de verzorgingsstaat. Nu industriële produktietechnieken steeds minder scholing vereisen, worden de rijke industrielanden geconfronteerd met nieuwe concurrentie uit alle delen van de wereld waar de lonen laag zijn en de wens tot welvaartsverbetering groot is. De OESO-landen staan voor de vraag hoe ze de onderkant van de samenleving onderhouden. Daarbij hebben de Verenigde Staten gekozen voor lage lonen en voedselbonnen, West-Europa voor een sociaal vangnet dat door overbezetting steeds verder doorzakt.

De OESO is van mening dat het beter is mensen voor weinig geld aan het werk te houden dan ze blijvend afhankelijk van uitkeringen te maken. Daarmee komt de nadruk ter bestrijding van de werkloosheid veel meer te liggen op scholing, op de premie- en belastingdruk die de loonkosten hoog houden, op de flexibiliteit van de beloning. De OESO is geen voorstander van een minimumloon dat laaggeschoolden, minderheden of herintreders uitsluit van de gevestigde arbeidsmarkt. Maar zelfs als dergelijke aanbevelingen worden opgevolgd, blijft ongewis of de gevestigde industrielanden de concurrentie met opkomende gretige groeiers aankunnen zonder ingrijpendere veranderingen. Hongkong besteedt tegenwoordig laag betaald werk zoals intikken van computergegevens voor banktransacties uit aan OESO-lidstaat Australië.

NA DE RECESSIE van begin jaren tachtig heeft Nederland de werkloosheid bestreden met loonmatiging en met afvloeiing van werknemers naar de WAO. Dat leek voor alle betrokkenen aantrekkelijk, maar heeft de gezondheid van de Nederlandse economie ondermijnd. In plaats van lage WW-uitkeringen in afwachting van werk kregen werkloze werknemers een permanent hogere WAO-uitkering, zodat de sociale premielasten in Nederland hoog bleven. Het vermogen tot aanpassing via kostenverlaging is in die recessie daardoor onvoldoende benut. Die fout moet met de recessie van 1993 in ieder geval niet worden herhaald.