Modernist en nazi

Vanity Fair, juni 1993 (Engelse uitgave). Prijs ƒ 10,75

De architectuurcriticus Charles Jencks krijgt nog altijd velen op de kast met zijn stelling dat er raakvlakken bestaan tussen het modernisme en het nationaal-socialisme. Goed, het is langzamerhand wel bekend dat in Italië het Nieuwe Bouwen en het fascisme heel goed samen gingen en ook weet iedereen nu wel dat Le Corbusier, na te zijn afgewezen door Stalin, zijn diensten vergeefs aan Mussolini en later aan de Vichy-regering aanbod. Zelfs dat Mies van der Rohe in 1934 een oproep ondertekende aan Duitse kunstenaars om de Führer te steunen, is niet helemaal onbekend meer. Maar al deze gegevens hebben weinig veranderd aan het beeld van het goede modernisme dat niets te maken heeft met het slechte nationaal-socialisme. Als het niet om bunkers, wegen en fabrieken ging, hield Hitler ten slotte niet van beton en staal, maar van zuilen en classicisme.

In het juninummer van de Engelse uitgave van Vanity Fair krijgt Jencks voor zijn stelling nieuwe en opzienbarende ondersteuning in de vorm van een portret van de Amerikaanse architect Philip Johnson, de importeur van het modernisme in de Verenigde Staten. In 1932 stelde Johnson als conservator van het Museum of Modern Art in New York de nu beroemde tentoonstelling The International Style samen, het begin van de Amerikaanse zegetocht van Mies van der Rohe, Walter Gropius en al hun geestverwanten en navolgers. (Later, eind jaren zeventig, nadat hij tientallen jaren zelf als modernistisch architect had gewerkt, werd Johnson overigens bekeerd tot het postmodernisme en een jaar of vijf geleden tot het deconstructivisme.) Jencks had al eens in een interview met de nu 86-jarige maar nog altijd hyperactieve Johnson zijn vroegere nazi-sympathieën ter sprake gebracht, maar die ging daar toen niet op in. Kurt Andersen, schrijver van het portret in Vanity Fair, heeft meer over Johnsons nazi-verleden weten op te diepen, vooral dank zij Franz Schulze, die al een biografie van Mies van der Rohe schreef en volgend jaar, na zeven jaar spitten en graven, een boek over Philip Johnson publiceert. Johnsons nazi-sympathieën blijken geen kortstondige jeugdzonde. Johnson was gedurende de hele jaren dertig in de ban van het nationaal-socialisme, ook nadat, anders dan hij had verwacht, Hitler de stijl van Mies van der Rohe niet tot staatsarchitectuur had verheven. Hij was lange tijd lid van Huey Longs Amerikaanse fascistische partij en bij het artikel in Vanity Fair staat dan ook een foto van Johnson in een grijs hemd, de dracht van de Amerikaanse fascisten. In 1939 ging hij naar Duitsland en in september van dat jaar was hij getuige van de Duitse invasie in Polen. "Er waren geen Polen te zien in de straten, alleen joden', schreef hij in het ultrarechtse Amerikaanse tijdschrift Social Justice. In hetzelfde blad gaf hij ook de reden aan waarom het met het toenmalige Frankijk de verkeerde kant op ging: "Gebrek aan leiderschap en richting heeft ervoor gezorgd dat de groep die altijd in tijden van zwakheid de macht grijpt, het heft in handen heeft genomen: de joden.' In 1940 zei Johnson de politiek vaarwel en ging hij aan Harvard studeren.

In het artikel in Vanity Fair wil Johnson nog steeds niets kwijt over zijn politieke activiteiten in de jaren dertig. Hij beaamt slechts dat Schulze's biografie volgend jaar veel opzien zal baren. "Sex and Nazism can do that', zegt hij, verwijzend naar zijn vroegere politieke voorkeur en zijn homoseksualiteit, het andere, lang verborgen gehouden geheim.