Moderne notaris zet gewoon zelf haar vuilniszak buiten

MAASTRICHT, 4 JUNI. Een groot deel van het Nederlandse notariaat laat vandaag het grijze pak in de kast hangen. In plaats van Oud-Hollandse teksten af te raffelen ten overstaan van bedeesd knikkende comparanten geven enkele honderden notarissen en kandidaat-notarissen zich op de grasvelden rond kasteel Vaalsbroek over aan ringsteken, balgooien, kruisboogschieten of steltlopen. De Koninklijke Notariële Broederschap bestaat 150 jaar en dat moet gevierd.

Gisteren verbleef de broederschap, samen met de koningin, voor het officiële gedeelte, in het Maastrichtse congrescentrum MECC. De notaris gaat met zijn tijd mee, merkte de voorzitter mr. J.W. Klinkenberg op: “Er zijn niet alleen heren met hun dame komen opdagen, maar zelfs dames met hun heer.” En inderdaad: ook al beantwoordt een groot deel van de broederschap nog altijd aan het imago van de bedaagde notabele, in de wandelgangen waren tekenen van modernisering waar te nemen.

Mr. A.A. van Berge, notaris te Amsterdam, draagt geen driedelig grijs, geen gouden zakhorloge en rookt geen sigaar. Alleen al omdat ze vrouw is, valt het haar moeilijk aan de stereotype "notaris = notabele' te beantwoorden: “Ik ben heel bewust in de stad gaan werken omdat ik niet overal als notaris wens te worden herkend,” zegt ze. “Laatst hoorde ik iemand achter me roepen: goh, kijk eens, de notaris zet zelf de vuilniszak buiten! Ik had niet eens de gaten dat ik iets aan het doen was dat kennelijk niet van een notaris wordt verwacht.”

Mr. J. In 't Hout, kandidaat-notaris te Geldrop en bestuurslid van de Koninklijke Notariële Broederschap, draagt wel een grijs pak, rookt wel een sigaartje en is bovendien de zoon van een notaris. “Mijn vader was notaris in Rotterdam. Hij zei altijd dat hij nooit in een dorp zou willen werken. Hij kon niet tegen het idee dat er bij de slager opmerkingen zouden komen als: nou zeg, die van de notaris hebben vandaag maar één ons vlees gehaald. Ik vind het juist prettig om op een kleiner kantoor op het platteland te werken, waar ik iedereen ken.”

De voorliefde voor de rurale aspecten van het notariaat veroordeelt In 't Hout tot een veel langer verblijf als kandidaat-notaris op een klein kantoor. Wie in de stad werkt, kan zes jaar na de afloop van de stage tot notaris worden benoemd, maar op het platteland kan het wel zestien jaar duren voordat de droom van een eigen standplaats wordt verwezenlijkt. Voor In 't Hout is dat geen enkel bezwaar: “Er is heel veel veranderd in het beroep. Die strenge hiërarchie tussen notaris en kandidaat is verdwenen. Sommige kandidaten willen helemaal geen notaris worden. We zitten alleen nog met die ongelukkige term. We proberen er wel "notarieel jurist' van te maken, maar dat wil niet zo lukken.”

Het wachten op een standplaats is de laatste jaren aanzienlijk korter geworden door het streven van de overheid om het aantal notarissen sterk uit te breiden. Ons land telt momenteel 1100 notarissen en 1300 kandidaat-notarissen, terwijl er vijf jaar geleden nog 900 notarissen waren. Toch wordt de norm van één notaris per vierduizend inwoners, die de wet op het notariaat aanhoudt, bij lange na niet gehaald, zegt mr. P. Kole, directeur van het bureau van de KNB. Het tekort aan notarissen kan opgelost worden als de nieuwe notariswet van kracht wordt. Dan kan een kandidaat, die zijn verplichte zesjarige stage (ook iets nieuws) achter de rug heeft, zelf het initiatief nemen een kantoor te stichten.

De notaris anno 1993 mag dan een ondernemer geworden zijn, vóór alles moet hij toch de vertrouwensman of -vrouw blijven die met een groot psychologisch inzicht de belangen van de cliënt behartigt. Daarover zijn alle betrokkenen het eens. In 't Hout: “Erfrecht is een kwestie van emoties. Als je langer op kantoor zit leer je de familieverhoudingen kennen. In het begin zat ik er wel eens bij met het idee van: wat gebeurt hier toch? Maar je leert vrij snel die ruzies te leiden. Dan is het wel prettig dat je kunt zeggen: luister eens even: k ben hier de notaris.”