Het heerlijke wegvloeien van de angst

Ik werk als redacteur bij een bedrijf dat horror-boeken en thrillers uitgeeft.

Geen populair beroep. Buitenstaanders plegen me te vragen of ik soms sadistische neigingen heb. Of ze leggen een direct verband tussen onze uitgaafjes en de opkomst van de jeugdcriminaliteit. Dat soort kritiek pak ik als volgt aan: “ik heb nou toch een boek te pakken, het is werkelijk verschrikkelijk. Ik ben wat gewend op het gebied van horror, maar hiervan gaan mijn haren recht overeind staan. Die eerste hoofdstukken! Een en al gruweldaden. Verkrachting, verminking, verraad, moord en doodslag. En dan dat tweede deel, met al die martelscenes! Een geheide bestseller. Doodzonde dat andere uitgevers ons voor zijn geweest. Ik zou er een moord voor hebben gedaan om de Bijbel in mijn fonds te krijgen.”

De Bijbel kan naar believen worden vervangen door de Griekse tragedies, de Annalen van Tacitus (gifmoorden!) of de koningsdrama's van Shakespeare. Succes verzekerd. Niemand kan ontkennen dat de oerbronnen van onze cultuur overlopen van het geweld.

Soms zou ik willen dat mijn kritikasters wat meer weerstand boden. Dat ze wat verder doordachten over de rol die geweld speelt in de klassieken van onze cultuur. Maar nee. Ik heb heel wat felle tegenstanders van geweld in films en boeken zien smelten zodra ze aan de praat raakten over hun eigen reacties op gruwelscènes. Hun ogen beginnen te glanzen, de woorden komen sneller, soms lijken ze in een soort trance te raken. Dan blijkt opeens hoe ze genoten hebben van een thriller op tv, al konden ze daarna twee nachten niet slapen. Of ze zijn zó geboeid geraakt door die twee moorden in de bestseller van Donna Tartt ("en zo subtiel beschreven ook, nergens banaal'). Als het een beetje tegenzit volgen dan nog wat beschrijvingen van de verschrikkingen die een vriend van een vriend heeft moeten doormaken, gruwelverhalen die ze uit zeer betrouwbare bron hebben vernomen.

Ik verdien mijn brood aan deze fascinatie, dus klagen zal ik niet. Maar een tikje verbazen doe ik me soms wel over die keurige pacifistische middenklassers, geheel in de ban van een verschijnsel dat ze in het dagelijks leven nauwelijks tegenkomen.

Statistieken

Nederland is niet gewelddadig, er zijn weinig landen in de wereld waar je zo weinig kans loopt met fysiek geweld te worden geconfronteerd. Maar die boodschap lijkt niet goed door te dringen. Ik vraag mensen wel eens hoeveel moorden hier per jaar worden gepleegd. De schattingen zijn altijd veel te hoog, met een ondergrens van driehonderd (twee maal het werkelijke aantal moorden) en een bovengrens van duizend (dat komt in de buurt van het jaarlijkse aantal verkeersdoden). Een modale burger, die niet in drugs handelt en een beetje normaal met familie en vrienden omgaat, loopt geen reëel gevaar om vermoord te worden. Je kans om een ton te winnen in de Staatsloterij is vele malen groter.

“De statistieken van met name moord, doodslag en mishandeling wijzen eerder op een toegenomen vermogen van mensen om zich van gewelddadig gedrag te onthouden dan op een agressieve verwildering” zegt de criminoloog Herman Franke. Die medaille heeft een keerzijde: hoe minder fysiek geweld we tegenkomen, hoe gevoeliger we worden voor het geweld dat resteert. "Een groeiende problematisering van geweldsgebruik' noemen criminologen dat.

Natuurlijk, op onze snelwegen vindt elke dag een bloedbad plaats. En in de ziekenhuizen kreperen de mensen bij bosjes aan de gevolgen van het roken en drinken. Maar dat verschijnt niet in de geweldstatistieken, we praten er niet graag over, en we willen er zeker geen thriller over lezen. Dat geweld is te ongericht naar onze smaak. We willen lekker ouderwets zien hoe de ene mens de andere afslacht. En dus kijken we verlekkerd naar direct geweld op de tv, en lezen we bij voorkeur boeken "waar een beetje spanning in zit'.

De oude impulsen zijn nog altijd even werkzaam. Zelfs de suggestie van direct fysiek geweld is al voldoende om bij de toeschouwer een kettingreactie op gang te brengen van fysieke en psychologische sensaties. De hartslag versnelt, de bloeddruk stijgt, sommige spiergroepen trekken zich samen, verse adrenaline wordt door het lichaam gepompt, ons lijf zet zich schrap.

En daar bovenop komt dan nog een scala aan psychologische reacties, die voor een deel samenhangen met de context van het vertoonde geweld (met "het verhaal'), en natuurlijk met de persoonlijkheid van de toeschouwer.

Genoegdoening

Je kunt diep graven naar dat soort psychologische reacties. Zo beweert de thriller-auteur Jan Koesen dat zijn genre tegemoet komt "aan ons diepste verlangen om bevestigd te krijgen dat wij het zijn die nog leven, en dat het de ander is die in de afgrond wordt gesmeten.' Dat is natuurlijk een adaptatie van de briljante inzichten die Canetti heeft ontvouwd in Massa en Macht, en in het essay "Macht en Overleven': "De schrik om de dode, zoals die daar voor ons ligt, wordt afgewisseld door genoegdoening: wij zijn niet zelf de dode. Wij hadden het kunnen zijn. Maar de ander ligt terneer. Wij staan zelf rechtop, ongetroffen en onaangetast, en of we nu een vijand hebben gedood of een vriend ons is ontvallen, alles wekt plotseling de indruk alsof de dood die ons bedreigde van onszelf op hem is afgewenteld.'

De meest directe bevrediging voor de consument van verhalend geweld ligt misschien wat minder diep: je kijkt op uit je thriller, even knipperen met de ogen, godzijdank, je zit nog steeds in je vertrouwde omgeving, het vuur in de open haard knispert, de poes spint. Niets om bang voor te zijn. Ik ken weinig mensen die de angstgevoelens zelf prettig vinden, maar het wegvloeien van angst, dat is een heerlijke sensatie.

Vanuit een artistiek oogpunt is het vertonen van direkt fysiek geweld uiterst werkzaam. De toeschouwer gaat op het puntje van zijn stoel zitten, alle systemen in verhoogde staat van paraatheid. Geen betere uitgangspositie denkbaar voor een kunstenaar die een verhaal kwijt wil. Dat is ook de reden dat zoveel films en verhalen beginnen met een paar gewelddadige scènes. In duizend bochten wringen de verhalen-vertellers zich, om maar uit te komen bij die smakelijke beginscène. Denk maar aan de brave Mozart-film van Milos Forman, die aanvangt met een wel erg ondoordachte zelfmoordpoging van Salieri: maximaal bloedvergieten met minimaal resultaat. Maar de kijker is geschokt en geboeid, het gewenste effect is bereikt. En achteraf kan je als kijker die beginscène heel goed verdedigen: Forman wilde natuurlijk de wroeging laten zien van Salieri, die dacht dat hij zijn geniale tijdgenoot eigenhandig het graf in had gedreven. De gewelddadige scènes passen in het verhaal. Functioneel bloed!

Excuus

Ik verafschuw de term "functioneel geweld'. Het hele concept is niets meer dan een excuus om betekenisloos fysiek geweld te laten zien. De nadruk ligt altijd op het gewelddadige, en nooit op het functionele. Wij hebben de term te danken aan de filmkeuring, bij ons gelukkig al ter ziele, maar in de Angelsaksische landen nog onverminderd werkzaam. Hevig geweld in films is alleen toegestaan in zoverre het verhaal dat vraagt. Maar ja, wat is het verhaal? In de praktijk maakte het concept de produktie van een stroom weerzinwekkende B-films mogelijk, waarin motorbendes en seriemoordenaars moordend en verkrachtend huishouden tot twee minuten voor het einde van de film, wanneer een heldhaftige politieman - bij voorkeur natuurlijk op even gruwelijke wijze - de moordenaars te pakken neemt. Deze overwinning van het burgerdom wordt geacht een passend antwoord te zijn op de voorgaande gruwelen, en maakt zo met terugwerkende kracht het geweld functioneel.

De toepassing van deze truc heeft naar mijn idee de thriller en de horror een doodlopende straat ingedreven, waar elke diepere betekenis van het verhaal wordt overschaduwd door zo smakelijk mogelijk gepresenteerde geweldsscènes. Ik krijg elke week enkele tientallen manuscripten op mijn bureau van aspirant-thrillerschrijvers. Het merendeel kan ik onmiddellijk retourneren met een standaard-briefje: "Wij geven geen boeken over seriemoordenaars meer uit. Probeer eens wat anders.' Jonge schrijvers die niet uitgaan van de gewelddadige scènes en daar dan een verhaaltje omheen breien, maar die een levensecht verhaal vertellen waarin het geweld een onontkoombare rol speelt, je zoekt ze met een lantaarntje.

Beroepshalve moet ik zowat alle nieuwe thrillers en horrorboeken lezen die op de (Amerikaanse) markt verschijnen. Deze activiteit leidt bij mij tot een toenemende nostalgie naar het echte klassieke thrillerwerk. Dan doel ik niet op John le Carré of Ira Levin (de grootmeesters van het moderne genre), maar op werken van zo'n twintig eeuwen geleden. Hoe is het toch mogelijk dat de Griekse tragedies op ons nog zo'n krachtige uitwerking hebben? Ik denk dat ze veel van hun impact ontlenen aan het feit dat ze produkten zijn van een maatschappij waarin geweld een normaal onderdeel van het dagelijks leven was, een factor om rekening mee te houden, maar ook niet meer. Het is juist de terloopse wijze waarop fysiek geweld in die drama's een rol speelt, die de verhalen een extra spanning geeft: een ieders leven staat voortdurend op het spel, maar het werkelijke thema is een moreel dilemma waarmee de protagonisten worstelen. Terwijl het verhaal zich ontrolt voel je de dreiging opkomen, deze reusachtige zwarte walvis die daar ergens vlak onder de oppervlakte zwemt.

Rembrandt

In de Hermitage van St. Petersburg hangt een schilderij van Rembrandt dat perfect illustreert wat ik bedoel: het offer van Abraham. Het is een van die schilderijen die bij mij oproepen wat Mieke Bal "het Rembrandt effect' noemde: ik raak er niet over uitgesproken. Het jaagt elke keer dat ik het zie weer een huivering langs mijn ruggegraat.

De bijbeltekst die ten grondslag ligt aan dit schilderij, uit het begin van Genesis, is een merkwaardig verhaal. Abraham, de leider van het ronddolende joodse volk, zoekt oplossingen voor de reeks rampen en tegenslagen die zijn volk getroffen heeft. Hij ontvangt een bevel van God: hij moet zijn kostbaarste bezit offeren, zijn enige zoon Isaäk, die hij pas op latere leeftijd gekregen heeft. Hij neemt de jongen mee naar de offerplaats en maakt zich op om hem te offeren. Dan verschijnt op het laatste moment, als hij het mes al op de keel van Isaäk heeft gezet, een engel die hem tegenhoudt. Abraham heeft laten zien dat hij volstrekt aan God gehoorzaamt, God is tevreden, de fysieke voltrekking van het mensenoffer is niet meer nodig. In plaats van de zoon wordt een ram geofferd, die zich toevallig in de buurt ophoudt.

Het verhaal speelt zich geheel in het hoofd van Abraham af, er zijn geen onafhankelijke getuigen. Misschien vertelde Abraham zijn volk dit verhaal alleen maar om te laten zien dat ze niet zo moesten klagen over hun ellende: hun leider was immers bereid om persoonlijk nog veel grotere rampen te dragen. Wellicht waren er politieke rivalen in opkomst, die met een groots gebaar op hun plaats moesten worden gezet: kijk eens wat ik voor het volk over heb.

Maar zo cynisch interpreteert Rembrandt de geschiedenis niet. We zien Abraham op het meest dramatische moment, als de engel op het nippertje de executie verhindert. Het mes, net uit Abrahams hand gevallen, hangt nog in de lucht. Een seconde later, en het bloed had in het rond gespoten. De ogen van Abraham blinken. Ze moeten vol tranen staan. Maar het zwaartepunt van het schilderij ligt toch bij die lijkwitte Isaäk, die met zijn hoofd onnatuurlijk ver naar achteren geknikt op de offerplaats ligt. En daar zien we Abrahams linkerhand, die het hoofd van zijn zoon met kracht achterover drukt, zoals hij dat zou doen met een offerlammetje. Abraham staat daar zelf te sterven van ellende, maar toch is hij daadwerkelijk bereid om zijn zoon de keel door te snijden. Hij heeft besloten dat hij zijn eigen geluk ondergeschikt moet maken aan het belang van zijn volk, en wij worden door Rembrandt gedwongen mee te leven met zijn vreselijke dilemma. Dat is pas horror!