F.J. VVAN THIEL (1907 - 1993); Gemoedelijk, gestreng

Met een vaderlijke stijl en op gezaghebbende toon leidde de woensdag overleden ex-Kamervoorzitter Frans Joseph van Thiel (86) de zittingen van de Tweede Kamer van 1963 tot 1972. “Op mijn hoge stoel in de Kamer zit ik eigenlijk televisie te kijken”, zei hij over het parlementaire schouwspel bij zijn afscheid. Van Thiel hield de voorzittershamer stevig in handen: hij was een Brabander die bourgondische gemoedelijkheid verenigde met een jezutische gestrengheid.

Van Thiel stamde uit een Helmondse fabrikantenfamilie en werd door zijn ouders naar een kostschool van de jezuëten in Katwijk aan Zee gestuurd, waar de jongeren uit betere katholieke kringen een bijna spartaanse opvoeding ondergingen. Elke ochtend om half zeven moesten de katholieke jongeren door de duinen naar zee marcheren en één keer per trimester kregen ze een dagje vrij om hun ouders te bezoeken.

Na zijn eindexamen studeerde hij rechten in Nijmegen en werd daarop directeur van de rijwielonderdelen- en buizenfabriek van zijn ouders in Helmond. Maar de politiek trok ook de aandacht van de jonge Brabantse ondernemer. In 1939 werd Van Thiel, lid van de Rooms-Katholieke Staatspartij, in de Helmondse raad gekozen. In de oorlog had Van Thiel sympathie voor de Nederlandse Unie, die onder andere werd geleid door zijn schoolgenoot Jan de Quay. Als prominente burger van Helmond werd Van Thiel echter door de Duitsers genterneerd in het gijzelaarskamp in Sint Michielsgestel, waaruit hij na twee maanden op medische gronden werd ontslagen. Na de oorlog leidde hij de "zuiveringscommissie' en sloot hij zich aan bij de Katholieke Volkspartij (KVP).

In 1948 kwam Van Thiel in de Kamer, naar eigen zeggen volstrekt toevallig. “Op een avond laat belde mijn goede vriend Piet van Loon, en hij zegt: "Frans Joseph, je staat op de lijst. Er stond niet één werkgever op, dus hebben we jou genomen. Je kunt er ook niet meer vanaf want de lijst is om elf uur gesloten'.” Van Thiel werd Kamerlid onder KVP-leider Romme. “Het eerste jaar mocht je in de fractie niets zeggen”, zo verklaarde hij vier jaar geleden aan de Haagse Post.

In 1952 werd hij tijdens zijn vakantie benaderd door kabinetsformateur Beel om minister te worden in de rooms-rode coalitie. “Beel zei: Frans Joseph, je moet minister van maatschappelijk werk worden”. Hij was vier jaar minister maar de functie is hem niet goed bevallen. “Die functie ligt me niet”, zei hij in 1971 tegen de krant Het Vaderland. “Je botst steeds hinderlijk tegen allerlei competentiegrenzen. Dat kan het leven van een minister zuur maken. Ik werk liever in een afgebakende organisatie als de Tweede Kamer.” Van Thiel kreeg echter groot respect voor de toenmalige premier Drees. “Een leider in optima forma. Als premier kon hij echter aan de rand van radeloosheid worden gebracht als er eens iets uitlekte uit de ministerraad.” Met minister Luns ontwikkelde Van Thiel een goede vriendschap. Luns werd in de woning van Van Thiel zelfs benoemd tot "ere-kei', erelid van de Helmondse carnevalsvereniging De Keiebijters.

In 1963, na het aftreden van Kamervoorzitter Kortenhorst, werd Van Thiel tot voorzitter gekozen. De sfeer in de Kamer werd in de loop van decennia losser, de voorzitter verruilde het jaquet voor een gewoon pak en de televisie deed haar intrede in het parlementaire debat. “Vroeger was de voorzitter min of meer een symbolische figuur. Die verandering heb ik bewust bevorderd. Dat is mijn hele karakter”, aldus Van Thiel. “Ik heb ingevoerd dat de debatten op televisie uitgezonden konden worden.” Een van de meest dramatische debatten - de Nacht van Schmelzer in 1966 - werd geleid door Van Thiel, die besloot dat er moest worden doorvergaderd tot er een besluit was genomen over de motie die uiteindelijk, om half vijf 's ochtends, het kabinet van Cals ten val bracht. Toenmalig minister Den Uyl zei daar later over. “Van Thiel zag het als een wedstrijd die je niet moet doodfluiten als het spannend wordt. Dat was ik met hem eens. Ik heb nooit ervaren dat hij tegen het kabinet was.” Het meest emotionele debat dat Van Thiel leidde was dat over de Drie van Breda. Op de publieke tribune begon een man te schreeuwen, de Kamervoorzitter schorste de vergadering, ging naar de tribune, maande de man tot rust en hervatte daarop het debat. “Een baken in de storm”, zo werd Van Thiel toen omschreven door de toen beginnende minister van justitie, A.A.M. van Agt.