Een verschrikkelijk rusthuis; Puzzeldetective van Michael Dibdin

Michael Dibdin: The Dying of the Light. Uitg. Faber & Faber, 151 blz. Prijs ƒ 34,55.

Michael Dibdin wisselt zijn thrillers over de Italiaanse politieman Aurelio Zen af met romans waarin hij vrijuit experimenteert met het misdaadgenre. Na de zwaar teleurstellende derde Zen-roman, Cabal, die vorig jaar verscheen, is er nu weer een boek zonder Zen: The Dying of the Light. Het is een lichtvoetig, dun boekje geworden, meer een jeu d'esprit dan een ambitieuze literaire onderneming; het is alsof Dibdin wil laten zien hoe goed hij het ambacht van de misdaadschrijver beheerst, met andere woorden, hoe bedreven hij met de verwachtingen van de lezers weet te spelen. Daarbij maakt hij gebruik van de tot clichés verworden spelregels van de oervorm van het genre: de klassieke Engelse puzzeldetective.

In eerder werk, vooral in The Last Sherlock Holmes Story en A Rich Full Death, heeft Dibdin al laten zien dat hij een meester in de literaire pastiche is. Maar wat in die misdaadromans nog voor de werkelijkheid moest doorgaan, een geloofwaardig decor voor verzonnen personages, dat gedurende het hele verhaal overeind blijft, trekt hij in het eerste hoofdstuk van The Dying of the Light direct in het absurde: een Engelse oude vrijster, model Miss Marple, loopt de lobby van een hotel binnen en treft daar alle standaardverdachten van een willekeurige Agatha Christie roman aan. De kolonel, de geestelijke, de rijke, aan een rolstoel gekluisterde erfgename, de joodse zakenman, het verliefde stelletje, ze lijken stuk voor stuk klaar te zitten voor het soort detectiveroman dat tegenwoordig niemand meer durft te schrijven. De stijl zwelgt onbekommerd in de Christie-clichés: "Revenge! The only man Lady Belinda ever loved was Randolph Fitzpayne, the dashing youngest son of the Earl of Devon. Hillary Bryant dallied with his affections, then broke off the engagement. In despair Randolph became a sheep farmer in Patagonia, where he was killed in a duel by a drunken gaucho.' Dit verhaal zet in met de allure van een spelletje Cluedo.

Maar dan treedt die andere oude wet van het genre in werking: niets is wat het lijkt. Dit bordkartonnen decor wordt al snel door Dibdin neergetrokken en hij onthult een tweede werkelijkheid. Rosemary en Dorothy, twee hoogbejaarde vrouwen, gebruiken de geordende wereld van de whodunnit om letterlijk aan de werkelijkheid te ontsnappen. Ze zitten opgesloten in een rusthuis van het ergste soort, een privé-onderneming waarin bejaarden verwaarloosd, gekleineerd en vernederd worden. Achter de geruststellende fictie van het gezamelijk speuren naar een zogenaamde moordenaar gaapt de afgrond van de totale ontreddering. "It was always Rosemary who had taken the initiative. It was she who introduced new twists and turns in the story which they had elaborated together, she who kept all the strands of plot in play while still managing to accommodate - and thus to some extent control - the real horrors which surrounded them.'

Maar ook de werkelijkheid blijkt zich te lenen voor een onvervalste plot en ontknoping. De plotselinge dood door vergif van Dorothy, op de avond voor zij als terminale kankerpatiënt naar het ziekenhuis zou worden afgevoerd, zet een heel nieuwe intrige in beweging, waarbij de overgebleven Rosemary zich plotseling toch nog tot een echte Miss Marple ontpopt. Het aardige van The Dying of the Light is het spel dat Dibdin met de lezer speelt: uiteindelijk blijkt ook de werkelijkheid achter het detectivespelletje uiterst artificieel. Halverwege het boek overmeestert de wereld van de klassieke detectiveroman plotseling de realiteit; ook in het verschrikkelijke rusthuis Eventide Lodge wemelt het plotseling van de dwaalsporen, valse aanwijzingen en foute gevolgtrekkingen.

Eventuele serieuze overpeinzingen van de auteur betreffende de verschrikkingen van de ouderdom of de behandeling van bejaarden in onze samenleving worden weggevaagd door zoveel plezier in eigen vindingrijkheid (ook de schurken zijn veel te veel literaire konterfeitsels om werkelijk beangstigend te zijn.) Aan het einde trekt de brave inspecteur van politie die het allemaal niet gezien heeft zijn opschrijfboekje en zegt: "Right then, let's have it from the beginning.' Waarop Rosemary antwoordt: "Must we, Inspector! I must confess that my heart always sinks at the prospect of the scene where All Is Explained.'

In een interview met deze krant verklaarde Michael Dibdin enkele jaren geleden uiterst ambivalent tegenover het misdaadgenre te staan: aan de ene kant koesterde hij een genre dat een schrijver zo strak aan de teugels hield, aan de andere kant ergerde hij zich aan de blinde zelfgenoegzaamheid die de Engelse detectivetraditie kenmerkte. In The Dying of the Light bewijst hij hulde aan die ambivalentie: dit boek is parodie en eerbewijs in één.