Een leven vol blutsen en deuken; Debuutroman van Kamiel Vanhole

Kamiel Vanhole: De beet van de schildpad. Uitg. Meulenhoff/Kritak, 190 blz. Prijs ƒ 32,50.

De debuutroman van Kamiel Vanhole is niet minder dan een kunststuk. In zijn verhalenbundel Een demon in Brussel uit 1990 had hij al het bewijs geleverd dat hij het vermogen bezat om sfeer en stemming heel precies over te brengen. Die bundel bestond uit reisverhalen, en de tweede opvallende eigenschap was dat hij zonder statistieken of historische uiteenzettingen, net op het juiste ogenblik de politieke situatie van een land zijn verhaal liet binnendringen, zodat er voortdurend een spannende wisselwerking ontstond tussen de stemming van de schrijver en de feiten om hem heen. In zijn roman gebeurt iets dergelijks.

In Maggie beschrijft Vanhole een vrouw met unieke individuele trekken en laat tegelijk zien hoe de inbreuken van de maatschappij op haar leven haar ook tot een type maken, tot een representant van de tijd die haar insluit. Er is veel talent voor nodig om op die manier een leven in beeld te brengen. Maggie is een tamelijk harde, ondernemende vrouw die bij elke poging zich te ontplooien teruggedrongen wordt door maatschappelijke tegenkrachten. Het begint al in haar vroege jeugd als haar vader in het tweede jaar van de Eerste Wereldoorlog besluit Vlaanderen te ontvluchten en het gezin meeneemt naar Frankrijk, later naar Engeland en ten slotte naar Dublin. Daar breekt in 1916 de Ierse opstand uit waarbij Maggies moeder door een verdwaalde kogel getroffen wordt. Maggie is dan net drie jaar oud.

Vanhole beschrijft haar leven met sprongetjes en steeds wordt er een trekje, individueel of typisch, aan haar persoonlijkheid toegevoegd. Na de Dublinse jaren zien we haar als een rebels schoolmeisje dat aan het hoofd van haar drie zusjes uit het pensionaat in Roeselare wegmarcheert omdat ze vindt dat ze nu allemaal oud genoeg zijn om weer in huis te worden opgenomen. Weer een sprongetje en Maggie woont op zichzelf en is manicure geworden. Ze heeft dan een platonische verhouding met een chirurg maar als hij eindelijk bekent dat hij haar door een foutieve operatie onvruchtbaar heeft gemaakt, slaat haar liefde om in brandende haat. Zonder enthousiasme trouwt ze met een oudere meubelmaker en heeft dan ineens een gezin met acht kinderen. Dat is middenin de Tweede Wereldoorlog en de buitenwereld blijft naar binnen dringen met kwesties van collaboratie, verzet en verraad. "Het leven is een slepende ziekte,' denkt ze, "met slechts één genezing'. Van die gedachte schrikt ze zelf, en illusieloos maar energiek als een Mutter Courage zonder de soldaten, blijft ze proberen zich een weg door het leven te banen, hoeveel blutsen en deuken ze daarbij ook oploopt. Haar strijdlust verliest ze nooit, en ze verzet zich hevig als een paar van de kinderen na de dood van haar man haar met giftige inhaligheid het huis willen ontnemen. De hele wereld is dan voor haar een oud, treurig huis geworden waar niets meer te vinden is dan "bloed en as en uitgeslagen tanden'.

Vrolijkheid is in deze roman ver te zoeken, maar een boek dat zo serieus is als dit, zo beheerst en intelligent geschreven, heeft geen deprimerende uitwerking. Bovendien zijn de typeringen van Vanhole zo treffend dat ze voortdurend een glimlach uitlokken om de mooie vondsten. Hij schrijft over een katholiek die zijn ziel met bleekpoeder wast, over een begrafenisondernemer die 's nachts een bezield aanbidder van jong vlees is en een handelaar die je een spijkerbed voor een donsdeken kon verkopen. Vanholes debuutroman is een van de beste van de laatste tijd.

    • P.M. Reinders