De zon is niet serieus genomen; Museum voor moderne kunst in Nimes

De Engelse architect Norman Foster maakte van zijn museum voor moderne kunst in Nmes een architectonisch monument. Van buiten is het een vriendelijke doos van glas, van binnen een ruimtevretende waterval van trappen. Grote architecten vinden het moeilijk om voorrang te geven aan de beeldende kunst.

Beide tentoonstellingen duren tot 29 augustus. Di t/m zo 10-20u. Het Festival van Nmes met onder meer dans van George Balanchine, een uitvoering van de Giselle van Mats Ek en oude muziek, duurt van 7 juli tot 18 augustus.

De wind is heet en de zon verduistert nu al de straten. Te fel en te vroeg, zelfs voor de mediterrane stad Nmes die zich opmaakt voor La Féria. Bij de Romeinse arena staan zwetende mannen in de rij voor een van de 23.000 toegangskaartjes. Ook hier wordt met stieren gevochten. Een ieder zal het weten, want tussen de platanen wapperen tientallen schilderingen van net zoveel schilders. Ze gaan over het nijdige beest en zijn dansende tegenstander. Of over de zomer die hier natuurlijk feestelijker is dan elders. We zullen huiswaarts rijden als vanuit het best bewaard gebleven Romeinse amfitheater ter wereld het gejuich voor Julio, José en Jésulin over de lege boulevards zal wegebben.

De kern van Nmes met zijn zalmkleurige daken is nu nog het domein van zo'n 50.000 inwoners. Over een week of wat zal de toeristenkaravaan oprukken naar het Maison Carrée, de ongeschonden Romeinse tempel uit de eerste eeuw voor Christus. Achter het plechtige rode gordijn heeft de Amerikaanse kunstenaar Julian Schnabel voor het diep-oranje tempelbinnenste drie schilderingen gemaakt. Hij deed er twee weken over. Drie maal zeven bij zeven meter. Drie wanden van een meeslepende schoonheid.

Op het bloot gelaten linnen zwermen abstracte fossielen uit in extatisch rode, droevig paarse, of roze en gouden verfflarden. Misschien zijn het afdrukken van verfomfaaid, in verf gedoopt textiel. Hier en daar treedt een hortende lijn op, of een zijden kleedje dat vooral niet wil opvallen, maar er zo vanzelfsprekend thuishoort dat het mag doorgaan voor een Romeins gevonden voorwerp. Weinig Franse collega's zullen Schnabel wat ingetogenheid betreft op zo'n formaat kunnen evenaren.

Dit jaar zal Nmes meer bezoek krijgen dan ooit tevoren. Want naast de tempel is begin vorige maand een architectonisch monument geopend. Een museum voor moderne kunst annex bibliotheek naar ontwerp van de al vaak bekroonde Britse architect Sir Norman Foster (Manchester, 1935). Het is maar een van de meer dan vijfhonderd musea of grootschalige museumuitbreidingen die Frankrijk, waar nog steeds één procent van de staatsbegroting naar cultuur gaat, in tien jaar uit de grond wil stampen. Toch moet vooral deze ontwerpopdracht gecompliceerd zijn geweest. Hoe neem je het op tegen de cannelures, de kapitelen en het fronton van Maison Carrée - zo'n nabijgelegen, ongenaakbaar heiligdom, dat ook nog verwend is met een eigen plein?

Twaalf vooraanstaande architecten, onder wie Aldo Rossi, Richard Meier en James Stirling, is in 1984 naar hun ideeën gevraagd. Het werd uiteindelijk Foster - de architect ook van de Shangai Bank in Hongkong, het nieuwe vliegveld Stansted en de Universiteit van Sainsbury in Engeland -, die inmiddels aan zijn allergrootste opdracht werkt; Chep Lap Kok, Hongkongs kolossale vliegveld van 1.248 hectares. Maar voordat hij kon beginnen, moest schoon schip worden gemaakt met de in 1952 uitgebrande Opéra van Nmes. Omdat de bevolking bezwaar aantekende tegen een totale afbraak, is de negentiende-eeuwse façade steentje voor steentje opgebouwd langs een ringweg richting vliegveld. Daar krijgt het gebouw alle kans snel aan nostalgische betekenis in te boeten.

Foster heeft de strijd met het Maison Carrée niet aangebonden. Hij wist wel beter. Hij ontwierp een diepe, niet al te hoge en brede doos van glas, ondersteund door staal en beton - en bleef onder het budget van zo'n zeventig miljoen gulden. Gastvrij steekt vanuit het platte dak en het daaronder gelegen terras een luifel van smalle, verstelbare panelen naar voren. De luifel, waaronder ook een bejaarde plataan mag schuilen, rust op vijf witte zuilen, die gezien hun geringe doorsnee palen genoemd moeten worden. Het "minimal' Carré d'Art vlijt zich niet tegen de tempel aan, maar kijkt bescheiden vanachter weidse luxaflex-panelen toe. Een transparante, klassieke constructie die in al zijn vriendelijkheid niets anders wil zijn dan een venster op de oudheid.

Zo discreet als het uiterlijk is vormgegeven, zo nadrukkelijk is Foster binnen, op die 11.000 vierkante meter, aanwezig. Trappen, veel trappen en tussenvloeren van lichtgroen, doorschijnend glas vullen het alles overheersende atrium. Een waterval, noemde Foster het, genspireerd op de heuvels rondom Nmes. Niet alleen de wanden en de liften, ook het dak is van glas, zodat mechanische panelen en velums het licht moeten temperen.

Het Carré d'Art herbergt negen verdiepingen, waarvan vier, net zoals in een schip, schreef Foster, ondergronds moesten blijven. Het eigenlijke museum huist op de bovenste twee etages, in 22 zalen. In het "ruim' liggen de studie- en leeszalen, de depots en de bibliotheek van 360.000 delen, waaronder 40.000 oude drukken en 900 manuscripten. Met name over de kunst van het stierevechten en het protestantisme weet men hier alles.

Tussen bibliotheek en museum zweven vergaderruimtes, een videotheek van drie zalen en twintig individuele kijk-en luisterposten, een kiosk waar 250 kranten en tijdschriften ter inzage liggen, een discotheek met 5.000 uitleenbare cd's en een "atelier des enfants'. Als de lokale populariteit van een nieuw openbaar gebouw een graadmeter is voor het architectonisch welslagen, dan boekte Foster een flamboyant succes.

Misantroop

Het museum, genitieerd door de kunstminnende burgemeester Jean Bousquet en Robert Calle - collectioneur, medicus en gepensioneerd directeur van het Parijse Institut Curie -, beschikt zelf over niet meer dan 250 werken, gedateerd vanaf de jaren zestig en verworven vanaf 1985. Ze zijn tijdelijk elders ondergebracht, in het voorname Musée des Beaux Arts, achter de Arena.

Uiteraard ligt hier een accent op de toptien van de Franse kunstproduktie met werken van Boltanski, Buren, Blais, Combas, Garouste, Viallat en Raysse, en op mediterrane kunstenaars als Barcelo en Solano. Maar ook onder vooraanstaande kunstenaars in het noorden is vergaard, zoals Christo, met een vroeg ontwerp voor een oranje winkelgevel, Günther Förg met monochromen, en de Belg Thierry de Cordier, die met anthraciet-kleurige lappen en Jopie Huisman-achtige schoenen een menshoge "misantroop' neerzette.

Omdat het museum zowel werken kreeg van particulieren en de Franse "Rijksdienst' als ook zelf aankoopt in het internationale circuit van de eeuwig-terugkerende-namen, ontstaat er hoe dan ook een onevenwichtige collectie. Hoogtepunten zijn er zonder meer: het indrukwekkende Indianenportret van Andy Warhol bijvoorbeeld, twee "blauwen' en een roze sponzen-reliëf van Yves Klein, en een blij bloemendoek van Nicola de Maria.

Als het aan de tijdelijke conservator Robert Calle ligt koopt Nmes zo snel mogelijk twee werken van Cy Twombly aan. Dat zou hem veel waard zijn. Over zijn eigen collectie wil hij alleen kwijt dat hij vroeg en goedkoop heeft gekocht. Lievelingen als Picasso en Léger waren al onbetaalbaar, en eigenlijk kan het museum met zijn jaarlijks aankoopbudget van één miljoen gulden zich ook al geen Cy Twombly meer permitteren. Hij vraagt of ik bij de ingang die grijs-stalen zuil van Ellsworth Kelly goed heb bekeken, het enige beeld dat Frankrijk van deze kunstenaar rijk is. “Ja, ja, we zijn hier internationaal”, mompelt hij.

De museumopening wordt in het Carré d'Art zelf gevierd met L'ivresse du réel, bijna tweehonderd bruiklenen van vijftig overbekende kunstenaars, die alle de metamorfose van het object in de 20ste-eeuwse beeldende kunst illustreren: van de vroege kubistische gitaren van Braque en Picasso, tot een recente, knullerige wasbak van Robert Gober. Een prestatie voor een kleinstedelijk museum dat bij wijze van tegenprestatie aan uitlenende musea nog weinig te bieden heeft.

Van Man Ray en Marcel Duchamp staan stukken opgesteld die menigeen alleen van foto's kent, zoals het hoofd van Venus in een grof haarnet gevangen, en een reeks "ready-made's' als Het Fietswiel, Het Flessedrek, De Besnorde Mona Lisa. Ook Giorgio de Chirico, Magritte en Picabia spelen hier een sleutelrol. Picabia heeft mooi de spot gedreven met Mondriaan toen hij een in stukken geknipte centimeterrol, wat lucifersdoosjes en wegfladderende lucifers tot een vroeg landschapje met boom transformeerde.

Via een lange serie collages van Kurt Schwitters en de in deze context onvermijdelijke Amerikanen als Jasper Johns, Jim Dine, Claes Oldenburg en Robert Rauschenberg, wiens luid boerend, windend en ratelend Orakel als stoorzender optreedt, komen we bij de gouden schoenzolen van Jannis Kounellis terecht, een uitdragerij van kranten, die Mario Merz probeerde te ordenen, een in 1968 beschilderde deken van Sigmar Polke en enkele wazige, zwart-wit "tv-beelden', mooie schilderijen van Gerhard Richter.

In de meest recente werken, opgesteld in de laatste zalen, zijn alle illusies weggevaagd. Dat wat buiten geen blik waardig is, wordt hier in al zijn nietszeggendheid aan de orde gesteld. Guillaume Bijl bouwde in het museum exact het interieur van een autorijschool na, compleet met vetplanten. Jeff Koons stapelde wat stofzuigers in vitrines en John Armleder combineerde meubilair uit de jaren vijftig tot zo'n droevig ensemble dat het rustig op de rommelmarkt had mogen achterblijven. Behalve Niki de Saint-Phalle doen er geen vrouwen mee, terwijl met name Meret Oppenheim hier gewoon thuishoort.

De Wilde

Edy de Wilde, oud-directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, is als adviseur bij deze openingstentoonstelling, de interne organisatie en de collectievorming betrokken geweest. Recentelijk zijn voor het museum werken verworven van Jannis Kounellis, Mario Merz, Enzo Cucchi en twee Nederlanders, Toon Verhoef en Marien Schouten. “Het Carré d'Art heeft absolute allure”, zegt De Wilde, “maar grote architecten vinden het moeilijk om voorrang te geven aan de beeldende kunst. Ik ken geen enkel recent gebouwd museum waarin dat wél gebeurd is.”

Hij doelt net als Calle op Fosters ruimte-vretende trappenwaterval en diens al te jubelende glas-ode aan het daglicht. Kunst en zon zijn hier niet helemaal serieus genomen. Zou Foster de hemel bestieren, dan schrapte hij ongetwijfeld de snikhete Provençaalse zomers van het aardse programma. Aangezien hij niet in die hoedanigheid optreedt, moesten onlangs met spoed zonweringen worden opgehangen in de zalen die het atrium begrenzen. Desondanks is het licht hier de baas gebleven. Het speelt met de onheilspellende straten van De Chirico en de sombere vertrekken van Magritte, die in de zalen verderop onder een goudkleurig plafond en tegen bronzen wanden blijken te hangen. Eenmaal dichterbij gekomen blijkt alles omo-wit te zijn: een fata morgana van Sir Norman Foster.

    • Marianne Vermeijden