De verleiding door het kwaad

Op 19 april 1991 reed ik van Amsterdam terug naar huis. Het was laat in de avond, een vrijdagavond, en ik was in een opperbeste stemming. De week zat er op, thuis wachtte me een makkelijke stoel en een hopelijk niet te slechte nachtfilm. Bij het binnenrijden van Utrecht passeerde ik een beige Opel. Even daarna werd ik klemgereden. Waren de inzittenden ontstemd over mijn manoeuvre? Stond mijn gezicht hen niet aan? Voordat ik daar over kon nadenken werd het portier opengerukt en raakte een vuist me vol in het gezicht. Het volgende moment lag ik op straat.

Achteraf viel de schade mee: ik had een open lip en miste een stuk glazuur van mijn voortand. Maar er was een geestelijke weerslag waar ik niet op had gerekend. Wekenlang werd ik geplaagd door beelden waarin het gebeuren keer op keer werd herhaald en door fantasieën waarin ik wraak nam. Ik achterhaalde de identiteit, het adres en de gewoonten van de daders; op een avond wachtte ik ze op bij hun stamkroeg en schoot ze pardoes neer met een pistool dat ik inmiddels had weten te bemachtigen. Enzovoorts. Mijn geest probeerde al malende de inbreuk te herstellen op iets waarvan ik me voordien maar vaag bewust was: een innerlijk domein waarvan de grenzen veel nauwer met mijn lichaam samenhangen dan ik voor mogelijk hield. Uit dat domein verjaagd te worden en dus uit jezelf verjaagd te worden is, weet ik nu, het meest weerzinwekkende van fysieke agressie.

Je zou mogen verwachten dat die weerzin zich uitstrekt tot de afbeelding van geweld in kunst. Dat is vreemd genoeg niet zo. Ik moet zelfs bekennen dat het thema me buitengewoon intrigeert. De meeste kunstwerken waarin geweld wordt uitgebeeld zijn weliswaar niet om aan te zien, maar dat komt door de treurige kwaliteit van die werken, niet door de inhoud. Etsen van Goya, verhalen van Purdy, films van Lynch daarentegen oefenen een duistere aantrekkingskracht op me uit. Blue Velvet van David Lynch is niet alleen een ongehoord knappe film, maar ook een film waarin agressie in zijn meest gewelddadige, dat wil zeggen lichamelijk en geestelijk kwetsende, vorm voorkomt. Het verhaal gaat over een misdadiger, Frank Booth, die een man en een kind in gijzeling houdt om de moeder te misbruiken voor zijn perverse seksuele plezier. Frank krijgt een kick van geweld, zoals wordt onderstreept door het onvergetelijke detail van het zuurstofmasker dat hij gebruikt om zichzelf op te zwepen tot een roes van agressie. In de loop van het verhaal verminkt hij de man (hij snijdt hem een oor af) en vermoordt hem. Verdorvener kan het niet. Frank is het vleesgeworden kwaad. Hoe is het mogelijk dat ik die onpasselijk wordt bij de aanblik van geweld, deze film reken tot de beste tien die ik ooit heb gezien?

Gids

Een van de redenen is ongetwijfeld dat de regisseur het kwaad toont door de ogen van een aardige en behulpzame jongen, Jeffrey Beaumont. Een padvinder eigenlijk. Uitgerekend hij vindt het halfvergane oor van het slachtoffer en die vondst betrekt hem in (of trekt hem toe naar?) de wereld van het blauwe fluweel. Jeffrey is een soort gids. Hij voert de toeschouwer uit de alledaagse wereld naar de onderwereld van Frank. Hij is een lijst van normaliteit waarin het schilderij van de hel wordt opgehangen. Aan het eind van de film vermoordt hij Frank. Eind goed al goed. Dat slot ontbreekt pijnlijk aan mijn eigen ervaring die tegen de achtergrond van dit geweld overigens heel nietig is geworden. Stel je voor dat Lynch het perspectief van Frank had gekozen in plaats van dat van Jeffrey. En dat Frank aan het eind van de film zijn straf zou ontlopen. Dat zou het bekijken van de film een stuk moeilijker maken. De beklemming die er nu al onontkoombaar van uitgaat zou dan misschien wel ondraaglijk zijn.

Geweld moet blijkbaar gerechtvaardigd worden, zelfs door Lynch. Jeffrey is die rechtvaardiging. Hij vernietigt het kwaad dat via hem wordt getoond als een inbreuk op de maatschappelijke orde. Het kwaad maakt deel uit van een verhaal dat luidt: eerst heerste er orde, toen was er een overtreding, tenslotte werd de orde hersteld. Zijn er wel kunstenaars die aan dat verhaal ontsnappen? Alleen de namen van Sade en Purdy willen me te binnen schieten, auteurs van wie de eerste lange tijd verboden is geweest en de tweede voorbehouden blijft aan een klein publiek. Hoe groter het beoogde publiek, des te groter de dwang van het verhaal, denk ik. Het zou in elk geval verklaren waarom schrijvers zich er soms aan kunnen onttrekken, filmregisseurs alleen als het gaat om kleine produkties en televisieregisseurs in het geheel niet. Lynch is in dit opzicht dus niet uniek. Het Jeffrey-procedé wijkt bovendien niet wezenlijk af van de werkwijze die kunstenaars al eeuwen hanteren. Hoeveel schilders hebben het martelaarschap van Sint Sebastiaan niet gebruikt als dekmantel om zich uit te leven in de schildering van een mooi en naakt lichaam dat ineenkrimpt onder de inslag van de pijlen?

Esthetisch verantwoord

Toch hangt de uiteindelijke rechtvaardiging van geweld niet af van de vraag of het kwaad in deze of een volgende wereld wordt gestraft, maar of de kunstenaar met artistieke middelen weet te overtuigen. "Er zijn geen morele of immorele boeken.' Oscar Wilde had een uitgesproken voorkeur voor misdadig gedrag dat hij met verve verdedigde als het maar esthetisch verantwoord was: een moord kon hij billijken als opzet en uitvoering maar van artistiek raffinement getuigden; omgekeerd dreef hij de spot met fatsoen en goede zeden omdat hij die artistiek ondeugdelijk en dus in hun geheel verwerpelijk vond. Dat mag overdreven zijn, zoals alles wat Wilde schrijft overdreven is, maar in die redenering zit een kern van waarheid die er op neerkomt dat de kunstenaar vrij is om elk onderwerp, hoe verwerpelijk ook, te behandelen, als hij er maar een mooi kunstwerk van maakt. Maar er blijft iets haperen aan de uitspraak dat geweld mag worden uitgebeeld (en volgens Wilde zelfs bedreven) als het maar mooi gebeurt. Er is, om de scherpe kanten van die stelling af te slijpen, wel beweerd dat schoonheid de werkelijkheid buiten spel zet en als het ware een wig drijft tussen de harde feiten en de esthetische ervaring. Zo heeft een beroemde criticus ooit gezegd dat de prachtige alexandrijnen van Racine ten doel hebben datgene te verbergen waar het in zijn tragedies eigenlijk om gaat: moord en doodslag. Ik geloof daar niets van. Ik geloof integendeel dat weerstanden die buiten het kunstwerk in alle hevigheid worden gemobiliseerd, door kunst zover worden tenietgedaan dat de toeschouwer (of lezer) zich verliest in scènes waarvan hij zich in werkelijkheid huiverend zou afkeren. Kunst verleidt. Baudelaire schreef zijn Fleurs du Mal niet om het kwaad te verbloemen, maar om de lezer met de schoonheid van zijn verzen zo te betoveren dat hij hem zou volgen naar een wereld van kwelling en zelfkwelling die Baudelaire obsedeerde en die naar zijn overtuiging ook de wereld van de lezer was ("Schijnheilige lezer, mijn gelijke, mijn broer!').

Maar waarom verleidt Baudelaire de lezer tot het kwaad? Die vraag brengt me in een schemergebied waar ik me net zo onzeker voel als Marlowe op het moment dat hij aan het eind van zijn reis naar het binnenland van Afrika het domein van Kurtz betreedt. In het hart van de duisternis speelt zich iets af wat nauwelijks meer te vatten is. Als ik daar toch woorden aan moet geven zou ik zeggen dat er een extase is in het kwaad.

Erotiek en dood

Taboes, geboden en verboden van allerlei aard beschermen de mens tegen lichamelijk geweld. De grenzen van zijn lichaam zijn heilig; overtreding staat gelijk met het bedrijven van het kwaad in zijn zuiverste vorm. Dat is een kant van de zaak. Maar er is een andere kant en dat is het verlangen naar overschrijding van dezelfde grenzen die normaal angstvallig worden bewaakt. Het leven, zegt Georges Bataille, die over deze materie een paar fascinerende boeken heeft geschreven, zondert de mens af van het grenzeloze waarvan hij voor zijn geboorte deel uitmaakte en waarin hij na zijn dood terugkeert. Tijdens zijn leven wordt hij begrensd in een lichaam. Zijn verlangen naar overschrijding is het verlangen naar herstel van de oorspronkelijke eenheid. De meest cruciale ervaringen van het bestaan, erotiek en dood, brengen die bevrijdende ervaring tot stand, maar het verlangen er naar uit zich ook in andere activiteiten, zoals sportieve topprestaties, mediteren, lachen of het gebruik van drank en verdovende middelen. Waar het nu volgens Bataille om gaat is dat overschrijding en angst samengaan. Extatische momenten komen alleen tot stand als de mens zich met geweld door een barrière van primitieve angst drijft (of daar doorheen gedreven wordt) en zijn lichaam om zo te zeggen prijsgeeft.

Die redenering werpt enig licht op de fascinatie van veel kunstenaars voor geweld, maar ze leidt ook tot consequenties die misschien minder aangenaam zijn. Zo suggereert Bataille een verband tussen geweld, dood en erotiek; zaken die we normaal gesproken liever uit elkaar houden. Kunst over geweld is volgens hem altijd erotische kunst en omgekeerd. André Masson maakte in 1936 een tekening waarop hij een stier afbeeldde met daarop schrijlings een naakte man. De man stoot een mes in de borst van het dier dat bloedend neerstort. Die gewelddadige scène heeft erotische implicaties en daarmee bedoel ik niet dat mes en stoot Freudiaanse symbolen zijn (hoewel ze dat óók zijn) maar dat Masson een extatische ontsnapping wilde uitbeelden waarin het gewelddadige en het erotische samenkomen.

Verontrustend is ook de gedachte dat toename van kracht en dus van bescherming en veiligheid uitmondt in het verlangen om die kracht te verspillen; dat er een kritische grens is waarvoorbij het verlangen naar meer kracht overgaat in het verlangen naar vernietiging ervan. “De mens,” schrijft Henri Michaux ergens, “verlangt ernaar om op het toppunt van zijn kunnen, op het hoogtepunt van zijn vorm, omvergeworpen te worden. Als hij het niet langer uithoudt, vertrekt hij naar het slagveld en tenslotte verlost hem de Dood”. Is dat paradoxale verlangen er de reden van dat het doelwit van agressie vrijwel altijd van kracht barstende, van schoonheid schitterende lichamen zijn? Dat er misschien wel een esthetica van het geweld bestaat die de suggestie van lichamelijke perfectie verbindt met de op die perfectie uitgeoefende, de door die perfectie uitgelokte agressie?