Charles Jencks

In NRC Handelsblad van 21 mei werden we verblijd met maar liefst drie artikelen over architectuur.

Het betoog van Charles Jencks, die werd genterviewd door Bernard Hulsman in het artikel Bollenvelden zijn concentratiekampen voor tulpen, wekte mijn woede op. De enorme publiciteit die Jencks al jaren losweekt, is dikwijls evenredig aan de onzin die hij uitspreekt en de inconsistentie in zijn redeneringen. Eerst weidt Jencks uit over wat volgens hem wel en wat niet bij het postmodernisme hoort en daarna over al het slechte van het modernisme. Vervolgens wijst hij vijf oorzaken aan waarom het postmodernisme aan Nederland vrijwel geheel voorbij is gegaan. Als vijfde punt zegt hij: “En tenslotte werken de verzorgingsstaat en de sociale gelijkheid in Nederland beter dan in de meeste andere landen. Daarom bestaat er net als in de Scandinavische landen niet zozeer een noodzaak tot postmodernisme.” Juist. Dat lijkt een duidelijke uitspraak en een verworvenheid, maar pas op, er zit een adder onder het gras. Want, vervolgt hij, het ziekenhuis-modernisme van Duiker en Van der Vlugt heeft ook een duistere kant: “Het streven naar gezondheid speelde ook een grote rol in nazi-organisaties als Kraft durch Freude. Het modernisme deelt met het nationaal-socialisme de obsessie voor het mechanisme en voor controle etc.”

Het is onzin te suggereren dat Van der Vlugt en Duiker hetzelfde nastreefden als het nationaal-socialisme. Natuurlijk zijn er overeenkomsten mogelijk tussen de inzet van architecten in Nederland uit het interbellum en de nationaal-socialisten, zoals het streven naar gezondheid of de controle over materialen en technieken. Maar de motiveringen daarvoor en dus de doelen kwamen uit totaal verschillende kokers. De wereld van de modernen was er een waarin het individu tot maximale ontplooiing zou komen in een sociaal gelijkwaardige wereld. Gebouwen als de Van Nelle fabriek van Van der Vlugt of sanatorium Zonnestraal van Duiker zijn daar onweerlegbare en wereldberoemde bewijzen van. Het getuigt dan ook van weinig historische kennis, objectiviteit en smaak om beide ideeënwerelden over een kam te scheren.

Ook Jencks' redenering dat het modernisme (evenals het postmodernisme volgens hem) te gronde gaat aan "slordige details, rotzooi en kitsch' is enigermate subjectief. De kern van het probleem van de Moderne Beweging die sinds haar stormachtige ontwikkeling vanaf de wederopbouwperiode na de oorlog in een stroomversnelling is geraakt, is - volgens mij en vele anderen - gelegen in haar streven naar universaliteit, waarin splitsing van functie, massaficatie, schaalvergroting en het afwijzen van de invloeden van de lokale context een belangrijke rol hebben gespeeld. Terecht komt Gerrit Komrij (zie het artikel Het lachen zal ze vergaan in het CS van 21 mei 1993) hier sinds jaar en dag tegen in het geweer. Maar ook aan het naoorlogse modernisme hebben ideële en economische motieven ten grondslag gelegen en deze deze hadden geen van alle het doel om een dictatoriaal absolutisme te creëren.

Jencks heeft mijns inziens wel gelijk als hij zegt dat we in de toekomst niet een politiek van universaliteit nodig hebben, maar juist een politiek van verschil. Diversiteit is om vele redenen een aantrekkelijk uitgangspunt voor onze (gebouwde) omgeving. Maar is dan het verwerpen van alle stromingen behalve die van Jencks zelf wel de manier om dat te bereiken? Is dat niet wat al te absolutistisch gedacht door deze criticus? Zeker is dat verschillende denkbeelden van de Moderne Beweging bij die diversiteit van nut kunnen zijn, zoals het streven naar gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, solidariteit en doelmatigheid. Wanneer Jencks spreekt over het belang dat hij hecht aan ecologische aspecten, dan kan hij - als ik naar zijn beperkte architectonische resultaten kijk - bijvoorbeeld nog wel wat leren van een architect als Duiker en diens denkbeelden over "geestelijke economie'. Met zo min mogelijk energie en materiaal zoveel mogelijk bereiken is zo gek nog niet in een snel groeiende wereld met eindige voorraden.

Moge ik tenslotte Gerrit Komrij en Rudy Kousbroek geruststellen. Er zijn wel degelijk architecten in ons land die zich noch aan de commercie noch aan dogmatisch absolutisme hebben verkocht en die goede en mooie gebouwen maken. In het derde artikel over architectuur, geschreven door Max van Rooy, wordt een uitstekend voorbeeld van goede, moderne architectuur beschreven, namelijk de West-terminal op Schiphol van Benthem-Crouwel.

De eerlijkheid gebiedt me echter om toe te geven dat ik, evenals Komrij en Kousbroek, vind dat er doorgaans wel erg veel lelijks in ons land wordt neergezet.