Azië verzet zich tegen de visie van Westen op mensenrechten

Tientallen jaren nam het Westen genoegen met politieke stabiliteit in het Indonesische eilandenrijk aan de internationale olieroute. Dat hiervoor een binnenlandse prijs werd betaald, nam men op de koop toe. Maar het tij keert. Sinds het einde van de Koude Oorlog beoordelen donorlanden Indonesië niet langer uitsluitend op zijn economische groeicijfers en binnenlandse rust, maar ook op het punt van rechten en vrijheden.

JAKARTA, 4 JUNI. “Indonesië is een groot land in ontwikkeling. Zijn 180 miljoen inwoners behoren tot honderden verschillende etnische groepen met elk een eigen taal en cultuur. Hoewel het de grootste moslimbevolking ter wereld herbergt, is het een seculiere staat die godsdienstige verdraagzaamheid voorstaat. Indonesië streeft naar evenwicht tussen ontwikkeling en stabiliteit enerzijds en respect voor de diversiteit van zijn bevolking anderzijds. Het autoritaire bewind beknot de fundamentele rechten van de mens.”

Zo begint de Amerikaanse ambassade te Jakarta haar jaarverslag 1992 over de mensenrechten in Indonesië. De inleiding vertoont een vreemde stijlbreuk: de openingszinnen verwoorden als vanouds begrip en waardering, maar de bottom line is ongewoon kritisch. Alsof een nieuwe, strengere beambte een regel heeft toegevoegd aan een vertrouwde tekst. Wat volgt, liegt er dan ook niet om: passages over “buitensporig geweld op politiebureaus”, “een brede kloof tussen arm en rijk”, “corruptie” en “beknotting van het recht op vereniging”. En ten slotte een oordeel als dit: “In weerwil van theoretische rechten zijn de Indonesische burgers niet bij machte hun regering met democratische middelen te veranderen.” In de ambassade aan het Merdeka-plein waait kennelijk een andere wind.

De regering in Jakarta is zich van deze kentering bewust en heeft een tegenoffensief ingezet. President Soeharto nam zelf het voortouw. Vorig jaar ontvouwde hij een Indonesische visie op het begrip mensenrechten. Hij erkende de “universele geldigheid” van deze “verheven idealen”, maar constateerde “onmiskenbare regionale en nationale verschillen in opvattingen, institutionele vormgeving en uitvoering”. In tegenstelling tot de “Westerse” nadruk op individuele rechten, zou Indonesië “gezien zijn historische en culturele achtergrond” hechten aan een “evenwichtige verhouding tussen individuele en gemeenschapsrechten, tussen rechten en plichten”.

Volgens Soeharto worden de mensenrechten in ontwikkelingslanden sterk benvloed door hun levensstandaard. Hij acht sociale en economische ontwikkeling dan ook “even fundamenteel” als burgerrechten en noemt het “ironisch” dat voormalige kolonisatoren hulp gebruiken om ontwikkelingslanden onder druk te zetten om hun versie van de rechten van de mens te respecteren. Om te laten zien dat het hem ernst was, wipte hij de Nederlandse dwarskijkers uit het hulpconsortium.

Het Indonesische ministerie van buitenlandse zaken ging vervolgens met Soeharto's boodschap de boer op. Tijdens een conferentie in Jakarta, in september vorig jaar, kreeg Indonesië de leiding over de in versukkeling geraakte Beweging van Niet-gebonden Landen. De bijeenkomst werd afgesloten met een ferme "Boodschap van Jakarta' waarin de visie van de nieuwe voorzitter duidelijk doorklinkt: “Geen land mag zijn macht aanwenden om de eigen opvatting van democratie en mensenrechten voor te schrijven aan anderen.” De 108 lidstaten, hoofdzakelijk ontwikkelingslanden, namen zich voor één lijn te trekken op de Wereldconferentie over Mensenrechten, die deze maand bijeenkomt in Wenen.

Intussen krijgt Indonesië bijval van een andere getergde reus: de Volksrepubliek China. In april hielden 49 Aziatische landen in de Thaise hoofdstad Bangkok een regionale voorronde voor de Weense conferentie. Daar tekende zich een scheiding der geesten af tussen Japan en China. Een citaat uit de Chinese bijdrage: “De hardwerkende, dappere en intelligente mensen van Azië houden vast aan hun schitterende culturele traditie van respect voor de rechten van de staat, de samenleving, de familie en het individu.” In die volgorde. Gedelegeerde Jin Yongjian hield de conferentiedeelnemers zijn prioriteiten voor: “Eén: Aziatische solidariteit, en twee: eerbiediging van elkanders soevereiniteit.” Kortom: de eigen staat boven alles, één front tegen de Westerse bemoeials en geen kwaad woord over elkaar.

De Japanse delegatie beklemtoonde het universele karakter van het begrip mensenrechten, verzette zich tegen iedere poging tot culturele relativering en memoreerde dat Azië het enige werelddeel is dat nog geen regioniale afspraken kent op het gebied van de mensenrechten. Woordvoerder Seiichiro Otsuka: “Mijn delegatie accepteert niet dat uitingen van zorg over schendingen van mensenrechten, in welk land dan ook, een inmenging zijn in binnenlandse aangelegenheden.” Tokio nam ook afstand van het door de Chinezen gelanceerde begrip "recht op ontwikkeling', dat neerkomt op een afwijzing van economische sancties.

China, gesteund door Indonesië en Singapore, trok aan het langste eind. De Slotverklaring van Bangkok draait om twee begrippen, niet-inmenging en culturele relativiteit, en spreekt zich uit tegen “enigerlei poging om mensenrechten te gebruiken als een voorwaarde voor de verlening van ontwikkelingshulp”. Yutaka Yoshizawa, hoofd van de afdeling mensenrechten van het Japanse ministerie van buitenlandse zaken, ziet in de verklaring niet alleen de hand van China: “De Indonesiërs wisten heel goed wat ze wilden; het stuk zit vol met hun ideeen.” In Bangkok bracht Jakarta de lidstaten van ASEAN op de Chinese lijn en Japan stond nagenoeg alleen.

Indonesië speelt hoog spel. Door de Niet-gebonden landen aan te spreken op een gemeenschappelijke frustratie als de Westerse kritiek op de situatie van de mensenrechten weet het zulke vreemde bedgenoten als Singapore en de Sahel-landen op één lijn te brengen, maar de band is broos. Wie wil men behagen: de geldschieters of de schuldenaren?

De Sovjet-rugdekking in internationale fora is weggevallen, de Verenigde Staten herontdekken onder Clinton hun democratische missie, Japan gaat langzaam om en de EG koppelt hulp aan mensenrechten. De recente stemming in de VN-Commissie voor de mensenrechten was een teken aan de wand; voor het eerst sinds lange tijd keerden de VS zich tegen Jakarta met een stem voor de resolutie die de toestand in Oost-Timor op de korrel nam.

Ondanks defensieve exercities als "Jakarta' en "Bangkok' beseft Indonesië dat het zich als deelnemer aan het internationale verkeer niet kan afsluiten voor de wereldopinie. Zo zal Soeharto binnenkort een nationale commissie voor de mensenrechten installeren. Begin mei vierde het dagblad Jakarta Post zijn tiende verjaardag met een seminar over hetzelfde thema. Daar nam een internationaal panel van rechtsgeleerden het Indonesische "cultuurrelativisme' onder vuur. Daniel Lev, directeur van de Amerikaanse mensenrechtenorganisatie Asia Watch, zette de toon: “Ooit schreef iemand "East is East and West is West and never the twain shall meet', een koloniale mythe die het Westen als vrijbrief diende om het Oosten te onderwerpen. Nu grijpen moderne heersers naar dezelfde mythe om de rechten van hun burgers als hun staatszaak te beschouwen.” Hij kreeg een donderend applaus.