Addio

Ook in het aangekondigde afscheid werd de autistische harmonie met hemzelf niet verbroken. Hij mompelde iets over opstappen bij Milan alsof het om een ander ging. Woorden als schaduwen op rijm die uit een masker van alledaagsheid kwamen gevallen.

De bejaarde chroniqueur van La Gazzetta dello Sport pinkte een traan weg. De Cup was al in Marseille en nu dit nog. In een schrijfblok met glanzend kaft noteerde hij: "Addio Frenkie. Waar je ook gaat, de kampferreuk van rouw die nu over Milanello hangt, zal je blijven achtervolgen.' Na weer een grimas van de middenvelder, ergens halfweg tussen liefde en leegte, schudde de Italiaanse beroepslyricus nog verdrietiger het hoofd en vervolgde in strenge letters: "Maar bedenk Frenkie, Rossonero ben je voor het leven. Willen vergeten, verlengt alleen maar de ballingschap.' La Gazzetta: de enige plek op aarde waar hemel en hel elkaar dagelijks raken in een waas van Adidas-poëzie met veel weemoed en rose. Alles is heimwee.

Terug in Nederland zocht ik de kranten af naar een mooie ballade voor de moegestreden voetballer die zich niet langer kon verzoenen met de pijn van het winnen. IJdele hoop. Nergens een zin, een woord of een zucht die naadloos in het verlengde lag van de aristocratie van de twijfel. Integendeel, er werd her en der gesuggereerd dat de Milanees, gedreven door extreme geldzucht, een partijtje blufpoker speelde.

Karaktermoord van een Alpha-voetballer.

Vijf jaar Serie A en nog steeds liever Griek dan Romein. Dat is Rijkaard. Week na week komt hij uit de catacombe met de wankele tred van een oude man die net uit bed is gewaaid. Zo betrad hij tien jaar geleden ook al het veld, zichtbaar worstelend met de vraag: Wat kom ik hier eigenlijk doen? Rijkaard is geen voetballer geworden voor het geld, voor de Zandvoort-blondines in de tribune of voor de eer van club en vaderland. Rijkaard speelt tegen de zelfhaat en dat al een leven lang. Het knagende verlangen om in een ander lichaam te leven kon alleen in dribbels, rushes en doelpunten worden gebalsemd. Nu, een dagje ouder - de dertig voorbij - worden de jaren van puisten en spijt draaglijker. De (comateuze) onvrede met lijf en zinnen moet niet meer zo fanatiek worden uitgezweet. Daarom kan de intutieve existentialist als voetballer het sinds lang gedroomde trapje lager. En is er tijd voor experimentele chaos, barokmuziek en vlinderkusjes.

Bewondering is dom. Voetballers vragen niet dat sportverslaggevers zich als sneeuwbessen voor hun voeten uitrollen. En al zijn ze, zoals de dichter, de illusie kwijt dat je de dingen direct kunt zeggen, toch willen ze als geheel uitvouwbare mensen benaderd en begrepen worden. Desnoods tot diep in de gekwetste, koortsige ziel. Latijnse chroniqueurs doen niets liever. In Nederland bestaat - gelukkig - nog enige schroom om het sterven en stribbelen van andermans leven op te schrijven. Maar soms heeft het verzuim iets van verraad.

Gemeten aan de berichtgeving ligt hier geen mens meer wakker van de klotsende enkel van Van Basten. Het lijkt wel of de spits reeds van harte is afgeschreven. Van Basten is dood, leve Bergkamp.

Nog gênanter is de nonchalance waarmee Gullit dezer dagen alleen wordt gelaten in de voor hem zo pijnlijke beslissing om zich uit de selectie van het Nederlands elftal terug te trekken. Jarenlang heeft deze dominante esteet door heel het land onzichtbare koren doen galmen. Nu het einde nadert, wordt hij als een stalinistische schimmel aan de kant gezet. In een oorverdovende stilte. De collectieve opwinding van de voetbalnatie concentreert zich dezer dagen liever op de mafiose perikelen van Babangida, de vette, proletische lach van De Wolf, de pseudo-bescheidenheid van Van Hanegem.

In Italië wordt Fausto Coppi ruim een kwart eeuw na zijn dood nog dagelijks geëerd als de vader des vaderlands. Deze zomer komt er zelfs een film over de sportieve en amoureuze explosies van de Grote Reiger. Terecht: het plebisciet van de Campionissimo is er voor de eeuwigheid.

Zo niet in Nederland. Zou er in deze hondsdagen al één schamel bosje tulpen zijn aangewaaid bij Gullit en Van Basten?