Wegbermen zijn rijker aan paddestoelen dan meeste bossen

Een ANWB-paddestoel staat zelden eenzaam en alleen. Wegbermen blijken namelijk een zeer rijke begroeiing aan paddestoelen te hebben. De berm van met bomen beplante wegen zijn zelfs rijker aan paddestoelsoorten dan enig Nederlands bostype.

Voor een deel betreft het soorten die in de Nederlandse bossen reeds (of bijna) zijn uitgestorven, zoals de hanekam of cantharel, voor een deel soorten die uitsluitend in bermen groeien. Tot deze conclusie komt bioloog Peter-Jan Keizer in het proefschrift "The ecology of macromycetes in roadside verges planted with trees', waarop hij woensdag 19 mei aan de Landbouwuniversiteit Wageningen promoveerde. Keizer onderzocht met bomen beplante wegbermen in Drenthe en vond in drie jaar tijd meer dan 225.000 paddestoelen, verdeeld over 439 soorten. Hieronder bevonden zich 57 soorten die in Nederland bedreigd worden.

Groene planten krijgen vaak meer belangstelling van onderzoekers dan schimmels, waarvan paddestoelen de zichtbare vruchtlichamen zijn. Het grootste deel van de "schimmelplant' onttrekt zich meestal aan de waarneming, terwijl daar juist de nuttige afbraak van organische stoffen plaatsvindt. Paddestoelen leven op dood organisch materiaal, maar kunnen ook een associatie aangaan met een boom of andere plant ("mycorrhiza-symbiose'), waarbij beide partners profiteren door de uitwisseling van voedingsstoffen.

Wegbermen maken een belangrijk onderdeel uit van het Nederlandse landschap; het bermoppervlak wordt geschat op 35.000 ha, zo'n 2% van het totale landoppervlak. Keizer inventariseerde de paddestoelenflora langs met bomen (voornamelijk zomereik en beuk) beplante wegbermen van Drenthe, waartoe 76 proefvlakken (100 x 3,5 meter) over meerdere jaren werden bezocht.

In de met beuken beplante proefvlakken zijn 134 soorten groene planten en 258 soorten paddestoelen aangetroffen. Voor de met eiken beplante proefvlakken zijn dit respectievelijk 198 en 358 soorten. Enkele proefvlakken met oude eiken op schrale bodem bezitten een buitengewone rijkdom aan paddestoelen, met een relatief groot aantal zeldzame en bedreigde soorten.

Vergelijkt men de paddestoelenflora van bermen met die van Nederlandse bostypen, dan blijken 66 soorten uniek voor bermen en minstens 100 uniek voor bossen. Opvallend is dat in bermen bedreigde paddestoelen voorkomen, zoals stekel- en gordijnzwammen, die in bossen met dezelfde boomsoorten verdwenen zijn.

Uit het onderzoek blijkt dat een dikke strooisellaag en veel stikstof in de bodem ongunstig is voor het voorkomen van paddestoelen. Het open karakter van de wegbermen, waar in de herfst de bladeren kunnen wegwaaien, draagt bij tot het in stand houden van het schrale milieu waarin deze paddestoelschimmels goed kunnen gedijen. Uit beheerexperimenten bleek dat maaien in de late zomer met afvoeren van het maaisel ("hooien') de beste methode is om een rijke paddestoelenflora te handhaven of te bevorderen. In het algemeen vindt men bij oudere bomen meer soorten dan bij jonge; voor dit verschijnsel heeft Keizer een successiemodel ontwikkeld.