Verdroging

Evenals het verdrogingsplaatje van Nederland is de titel 'Nederland verdroogt' van het artikel van de hand van F.G. de Ruiter in het NRC Handelsblad van 27 mei 1993 misleidend.

Door het positieve verschil tussen neerslag en verdamping bedraagt het neerslagoverschot op het vaste land van Nederland gemiddeld circa 8 miljard (!) m per jaar en op het deel, waaronder zich de zoetwaterbel aan grondwater bevindt, gemiddeld ongeveer 6 miljard m per jaar. Deze hoeveelheid dringt grotendeels de grond in, overvoert de vooraad aan zoet grondwater, en moet ook jaarlijks weer worden afgevoerd. Dit geschiedt op natuurlijke en kunstmatige wijze. Van de 6 miljard m wordt 900 miljoen m (15%) onttrokken voor de openbare drinkwatervoorziening en circa 300 miljoen m voor beregeningsdoeleinden in droge zomers. Die 900 miljoen m komt voor het overgrote deel binnen 24 uur na onttrekking weer terug als (gezuiverd) afvalwater in het aquatische milieu, meestal in het oppervlaktewater; de 300 miljoen m 'verdwijnt voor langere tijd' door opslag in het gewas en als waterdamp in de atmosfeer. In deze zin is er dus geen sprake van een afnemende grondwatervoorraad en een tekort aan zoet grondwater.

Wel is het juist dat door de kunstmatige afwatering en ontwatering, voornamelijk ten behoeve van de landbouw, en door grondwateronttrekking t.b.v. de openbare drinkwatervoorziening en de industrie, veranderingen in grondwaterpeilen en kwelstromen zijn opgetreden in gebieden, die door ons tot natuurgebieden zijn verklaard (op het vaste land van Nederland komen geen oorspronkelijke natuurgebieden meer voor). Die veranderingen hebben in de "natuurgebieden', waarvan het grondwaterregime niet kunstmatig wordt beheerst, zoals bij de Oostvaardersplassen, veranderingen in de vegetatie veroorzaakt. In diverse gevallen worden die veranderingen aangegeven als verdroging en aangemerkt als achteruitgang die wordt uitgedrukt in natuurwaarde-eenheden.

Bij ingewijden is het bekend, dat tot nu toe subjectiviteit bij het toekennen van "natuurwaarden' niet kan worden uitgesloten, wegens gebrek aan kennis. Een eventuele "verdrogings'-kaart van Nederland behoort m.i. dus alleen de "natuurgebieden' van Nederland te betreffen, waarvan de waterpeilen niet reeds kunstmatig worden beheerst; de "verdroging' in landbouwgebieden is immers kunstmatig aangebracht en kennelijk gewenst.

Ook is het juist dat lokaal in bepaalde natuurgebieden door het verminderen van de grondwateronttrekking in of nabij die natuurgebieden, liefst in combinatie met waterstaatkundige werken gericht op het "vasthouden' van afstromend grond- en oppervlaktewater, milieuwinst kan worden geboekt. Toch moet men oppassen met de vervanging van grondwater door oppervlaktewater voor de openbare drinkwatervoorziening. Nog afgezien van het benodigde oppervlaktebeslag voor installaties en berging (kunstmatige bekkens) en de extra inspanning voor de zuivering, kan ruwweg worden gesteld, dat zodra oppervlaktewater moet worden aangevoerd over een afstand van meer van 30 km, de energiebalans in het voordeel van grondwater omslaat en energieverbruik komt in Nederland neer op voornamelijk verbranding van fossiele brandstof. Aldus kan alsdan lokale milieuwinst mondiaal milieuverlies opleveren.