Vakbondsman bindt strijd aan met politiek

DEN HAAG, 3 JUNI. Een vakbondsman die niet met de werkgevers, maar met de politiek de strijd aanbindt. Dat is J. van der Linden, sinds 1980 lid van het bestuur en sinds 1988 werknemersvoorzitter van de Federatie van Bedrijfsverenigingen FBV. Hij trad gisteren op als getuige voor de parlementaire enquêtecomissie die de uitvoering van de WAO, de WW en de Ziektewet onderzoekt. Aan het eind van het verhoor kregen de politici de wind van voren.

Het ging om de scheiding tussen Ziektewet en WAO. De overdracht van dossiers van de bedrijfsverenigingen (Ziektewet) aan de Gemeenschappelijke Medische Dienst GMD (WAO) laat te wensen over. Met als gevolg dat zieke werknemers te lang zonder begeleiding blijven, zodat de WAO voor hen onvermijdelijk wordt. In 1987 legde de Stichting van de Arbeid, het topoverleg van vakcentrales en werkgevers, daarom het "synthesemodel' op tafel om de muur tussen de wereld van de Ziektewet en de wereld van de WAO te doorbreken. Toch duurde het nog tot 1991 voordat de GMD en het Gemeenschappelijk Administratiekantoor (dat voor 13 van de 19 bedrijfsverenigingen het werk doet) fusieplannen op tafel legden.

Het idee werd volgens Van der Linden geboren tijdens een bijeenkomst van FNV-voorlieden (Van der Linden, Clerx, Muller, Opmeer), tijdens de beruchte "WAO-zomer' van 1991. Toen ze contact opnamen met de Tweede-Kamerleden Buurmeijer (PvdA) en Biesheuvel (CDA) bleken die wel voor de plannen te voelen.

Toen het commissielid V.A.M. van der Burg (CDA) vroeg waarom het tot 1991 duurde voordat men met dit plan op de proppen kwam, greep Van der Linden zijn kans. “De nieuwe Organisatiewet was en is er nog steeds niet. We zitten nog steeds met het zweet in onze handen. We kregen pas in juli 1991 vanuit de politiek - de vaste Kamercommissie voor Sociale Zaken - een signaal dat het synthesemodel het groene licht kreeg. De politiek heeft de uitvoeringsorganisatie betrekkelijk lang laten bungelen. Dit had al in 1988 geregeld moeten worden.”

Van der Linden vermeldde niet waarom de nieuwe Organisatiewet zo lang op zich laat wachten. De toenmalige staatssecretaris De Graaf van sociale zaken stuurde zijn plannen al in 1989 naar de Tweede Kamer. De zeggenschap van de sociale partners werd in het model van De Graaf eerder groter dan kleiner. De Kamer wilde echter, zo bleek in het voorjaar van 1991, een onafhankelijk en beter toezicht op de bedrijfsverenigingen. Staatssecretaris Ter Veld heeft in haar op 10 mei gepubliceerde wetsontwerp wèl zo'n onafhankelijk toezicht opgenomen, tot ongenoegen van de bedrijfsverenigingen.

Van der Linden, die als bestuurder van de Bouw- en Houtbond FNV in 1985 voorzitter werd van de bedrijfsvereniging Bouw, was verbaasd over verklaringen die Tweede-Kamerleden vorige week voor de enquêtecommissie aflegden. Op voorstel van R.L.O. Linschoten (VVD) en S.C. Weijers (CDA) waren in 1986 de minimumsancties in de nieuwe Werkloosheidswet geschrapt, omdat ze het sanctiebeleid aan de bedrijfsverenigingen wilden overlaten. Beiden lieten doorschemeren daar nu spijt van te hebben.

Wist Van der Linden dat de Tweede Kamer ontevreden was, wilde commissievoorzitter J.F. Buurmeijer weten. Van der Linden: “Nee, dat hebben ze me nooit verteld.” Ook staatssecretaris Ter Veld zei recentelijk dat ze niet tevreden was over de aanpak van de fraude. Van der Linden: “Dat kan ik niet goed verklaren, daar moeten we eens over praten. Soms worden dingen door elkaar gehaald.” Maar had de Federatie die de uitvoering door de bedrijfsverenigingen coördineert, vroeg Van der Burg vervolgens, tot 1986 wel een eigen sanctiebeleid? Van der Linden: “Nee. Wij hebben de wegen gebaand voor overleg.” Waarna hij bevestigde dat de Federatie zich pas echt over de aanpak van de fraude ontfermde toen de Sociale Verzekeringsraad haar toezicht, via de Toezichtkamer, verscherpte.

Directeur H. Schripsema van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke belangen, kreeg gisteren van de enquêtecommissie alle gelegenheid om zijn succes breed uit te meten. “Je hebt goed, beter, en best. En het beste, daar streven wij naar. (...) De coach bepaalt hoe het team speelt. Het bestuur kan de coach naar huis sturen. En die coach, dat ben ik.”

In 1985 zegde Schripsema zijn baan van ziekenhuisdirecteur vaarwel en nam bij de BVG het heft in handen. Sindsdien timmert de BVG - een bedrijfsvereniging die het werk niet heeft uitbesteed aan het Gemeenschappelijk Administratiekantoor maar zelfstandig opereert - volop aan de weg. In 1987 verscheen een "strategienota' over de beperking van het verzekerdenrisico (volumebeleid), de organisatie werd sterk gedecentraliseerd, men wil nieuwe activiteiten ontplooien, etcetera.

Kritische vragen kreeg Schripsema echter nauwelijks voorgelegd. Waarom doet de BVG zo weinig aan het controleren van zieke werknemers? Waarom is de bureaucratie van de BVG de afgelopen jaren zo sterk gegroeid? Zijn de problemen die leidden tot het vertrek van Schripsema's voorganger nu geheel en al verholpen? Vragen, vragen - maar ze werden niet gesteld.

Heeft voormalig adjunct-directeur E.B.J. de Groot gelijk als ze stelt dat de reorganisatie die Schripsema voor ogen staat is gestuit op verzet van de bureaucratie en van het bestuur? De Groot zei dit twee maanden geleden in NRC Handelsblad en de commissie wilde er ook een vraag over stellen. Helaas, het kwam er niet van: Schripsema had al te veel tijd verbruikt. Op verzoek van de commissie verhaalde hij breeduit over het bedrijfseigene, over de gentegreerde gevalsbehandeling en over zijn relatie met het bestuur.

Het bestuur zou volgens Schripsema meer zaken aan de directie kunnen overlaten. Zijn er spanningen, vroeg de commissie. Nee, spanningen zijn er niet, aldus Schripsema. Maar dat was natuurlijk te danken aan de coach. En wat het bedrijfseigene betreft: je hebt verstand nodig van wat er in een ziekenhuis gebeurt om “dingen aan te reiken”. Welke dingen de BVG concreet had aangereikt bleef onduidelijk.

Het voeren van een volumebeleid - het terugdringen van het beroep op de Ziektewet - is volgens Schripsema wel degelijk een taak van de BVG. Bestuurders van andere bedrijfsverenigingen hadden eerder getuigd dat dit buiten de wet valt. Schripsema: “Het verzuim daalt bij ons per jaar met een half procent en de premie daalt nog meer.”

De commissie vroeg hierop niet door, maar het laatst beschikbare jaarverslag van de BVG geeft een ander beeld dan hij gistermiddag suggereerde. Het aantal Ziektewet-uitkeringsdagen steeg in de periode 1988-1991 jaar in jaar uit, en elk jaar opnieuw bovendien sneller dan gemiddeld bij de andere bedrijfsverenigingen.

Ook het verzuim-percentage ging jarenlang omhoog, van 7,8 procent in 1988 tot 8,9 procent in 1990; pas in 1991 trad een daling op tot 8,4 procent. Toch ging dat jaar de Ziektewetpremie nog omhoog van 7 naar 8 procent. Met als gevolg dat in 1992 een forse daling van de premie mogelijk was, van 8 naar 6,5 procent.

Waar de commissie bij vertegenwoordigers van andere bedrijfsverenigingen uitgebreid inging op het kostenvraagstuk, bleef dat aspect bij de BVG onderbelicht. Opmerkelijk, want het aantal BVG-medewerkers (op full time basis) steeg tussen 1988 en 1991 van 1580 tot 1991, dat is in drie jaar tijd een stijging met 28,2 procent. In diezelfde periode steeg het aantal verzekerden aanzienlijk minder, namelijk van 660.000 tot 741.000, dus met 12,3 procent.