Polen, 1993

Boven Stettin doet het landschap denken aan de Achterhoek, maar grootser, stiller, zonder mas - de Achterhoek in een verleden tijd.

We verblijven in een tot ornithologisch station verbouwd boerderijtje. Bossen, velden en moerassen om ons heen. Dat is slapen met het geluid van bosuil, steenuil, noordse nachtegaal.

Dat is ontbijten met de zang van wielewaal. De tuin glanst vochtig in de vroege zon. Er vliegen zwarte sterntjes over. Een grauwe klauwier posteert zich op de windwijzer. In de verte gakken grauwe ganzen, hoempt een roerdomp, het hoerageroep van kraanvogels. En om de hoek staat bovendien een rijtje bomen waarin een kolossale vogel op de uitkijk zit - een zeearend.

Dat is de passage van een schreeuwarend. En dat een vos recht op je af komt lopen, een vos die zelden mensen ziet. En dat je zegt: nu is het twaalf uur en we hebben nog niets anders gehoord dan wind en vogels.

Dat is (wat verderop) het grazen van een ree, het te voorschijn komen van een edelhert, het dwarse drafje van een boommarter, de verlegenheid van een opgerolde adder. En bloemen, vlinders, paapjes, grauwe vliegenvangers...

Je hoeft hier niet te zoeken naar natuur. Ze biedt zich aan, ze dringt zich op. Te veel, zo denk je nu en dan. Dat gevoel van vroeger, dat je bezig bent achter elkaar een zak Engels drop op te eten.