Oudere werknemer tussen WAO, VUT en onmisbaarheid

Oudere werknemers zullen langer moeten werken als de Vut wordt afgeschaft. Maar bekommeren bedrijven zich wel voldoende om oudere werknemers? Eerste artikel van een korte serie.

ROTTERDAM, 3 JUNI. De huidige generatie nieuwkomers op de arbeidsmarkt weet niet beter; werken doe je hooguit tot je zestigste. Niet degene die vóór zijn pensioen afhaakt, maar degene die tót zijn pensioen werkt mankeert iets. Ook werkgevers schrijven de oudere werknemer voortijdig af. Wie ouder is dan veertig mag nog maar zelden deelnemen aan trainingen. Bij reorganisaties verlaten de 55-plussers meestal als eersten het pand.

Maar Nederland vergrijst. Tussen 2010 en 2030 verdubbelt het aantal bejaarden, terwijl het aantal werkenden gelijk blijft. Hierdoor stijgt de druk op de actieven, die immers de uitkering op de oude dag (AOW) opbrengen. Vergrijzing treft ook de populaire regeling voor vervroegd uittreden (Vut). Die wordt onbetaalbaar.

De dreigende problemen hebben geleid tot een herwaardering van de oudere werknemer. Plotseling staat hij volop in de belangstelling. Maar niet zoals hij had gewenst. In plaats van hem een rustige oude dag te garanderen, willen overheid, werkgevers en Haagse adviesraden hem juist langer aan het werk houden. Maar over de manier waarop is nog nauwelijks nagedacht.

Op verzoek van de overheid bogen de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) zich de afgelopen maanden over de toenemende druk op het actieve deel van de bevolking. Ze concludeerden dat de Vut moet worden afgeschaft. Daarnaast meent de WRR dat de pensioengerechtigde leeftijd omhoog moet. Zo hoeven minder mensen gebruik te maken van de AOW en betalen meer mensen langer premie. Daarnaast zouden AOW'ers in de toekomst premie moeten betalen over hun aanvullende pensioen.

De rapporten onderstrepen de opvatting van overheid en werkgevers: de samenleving dient ervan te worden doordrongen dat meer mensen langer aan het werk blijven. Maar welke bedrijven doen moeite om werknemers tot hun 65ste in dienst te houden?

Uit vertrouwelijk onderzoek blijkt dat onder meer de gemeente Groningen mooie woorden in daden heeft omgezet. Een oudere zwembadinstructrice werd archiefmedewerkster, een grondwerker werd vrachtwagenchauffeur en een fitter schoolde zich om tot magazijnbeheerder. “Zonder dit beleid was ik afgehaakt”, zegt een medewerkster.

Pag 22: Arbeidsdeelname ouderen nergens zo laag als in Nederland; Helft 50-plussers ontvangt uitkering

Nergens in de Westerse gendustrialiseerde wereld is de arbeidsdeelname van ouderen zo laag als in Nederland. Van de mannen tussen de 55 en 64 jaar werkt in Nederland veertig procent. In de overige EG-landen ligt dit vijf tot dertig procentpunt hoger. Ook het aantal uitkeringen aan ouderen is flink toegenomen. Uit het SCP-onderzoek blijkt dat in 1970 één op de vijf personen tussen de 50 en 64 jaar een uitkering had. Nu is dat één op de twee.

De discussie spitst zich vooral toe op de Vut. Aan ouderenbeleid, dat moet voorkomen dat werknemers tussen de 55 en 65 jaar de eindstreep niet halen, hebben de adviesraden weinig tekst gewijd. Het Nederlands Instituut voor de Arbeidsomstandigheden NIA heeft de afgelopen maanden onderzoek gedaan naar ouderenbeleid. Uit een reeks bedrijven en instellingen die op het eerste gezicht "goed' voor hun oudere werknemers leken selecteerde het instituut dertig ondernemingen.

Uit dit onderzoek blijkt dat Groningen als enige beleidsvoornemens ook in daden heeft omgezet. Bij andere bedrijven blijft specifieke aandacht voor senioren vaak beperkt tot nota's. Àls bedrijven al gedachten op papier hebben gezet. NIA-onderzoeker M. Ziekemeyer meent dat bedrijven pas ingrijpen als de 50-plusser op het punt staat af te haken. “Bijna nergens is sprake van preventief beleid.”

Het NIA staat een goed ouderenbeleid voor. Het meent dat, indien de werkgever een gezond en creatief personeelsbestand wil, hij wel aandacht aan de oudere werknemer moet besteden. De arbeidsproduktiviteit is de afgelopen jaren immers fors gestegen, de werkdruk is toegenomen en fysiek zwaar werk is soms ongeschikt voor senioren. Bovendien, weet Ziekemeyer, stellen oudere werknemers andere eisen aan arbeid dan hun jongere collega's. Plezier in het werk gaat boven het "scoren'. Daar dient een werkgever rekening mee te houden.

De onderzoeker benadrukt dat het ideale "standaardpakket' voor oudere werknemers niet bestaat (“in ieder bedrijf is de situatie anders”), maar kan toch een aantal algemeenheden geven. De oudere werknemer gedijt volgens het NIA beter als hij in een rustige werkomgeving zit: weinig lawaai, minder telefoonverkeer en geen ploegendienst.

Ook de vakbeweging hamert op een goed ouderenbeleid. Tegelijk houden de bonden vast aan de onder oudere werknemers populaire Vut. De werkgevers willen juist van deze regeling af. Die strijd typeert de opstelling van werkgevers- en werknemersorganisaties, meent de Algemene Bond voor Ouderen (Anbo). “Beide partijen proberen de buit binnen te halen. Pas dan denken ze na over de invulling in de praktijk.” Volgens de belangenvereniging gaat het niet om of/of, maar om en/en. Vut in deeltijd zou het sluitstuk van ouderenbeleid moeten zijn.

Voor de overheid heeft de Anbo de rol van aanjager in petto. Het kabinet moet de 65-jarige leeftijd als ontslaggrond uit de wet laten verdwijnen en het stellen van leeftijdsgrenzen in personeelsadvertenties verbieden, meent de belangenvereniging.

Maar alle theorieën over ouderenbeleid staan haaks op de praktijk. De economische tegenwind heeft dit de afgelopen maanden pijnlijk duidelijk gemaakt. Terwijl onderzoekers hun vingers blauw schreven, schoof het bedrijfsleven hele groepen werknemers terzijde met als enig criterium hun leeftijd. Bij het staalbedrijf Hoogovens verdwenen de 55-plussers, bij chemieconcern DSM de werknemers van 57 jaar en ouder en bij vliegtuigbouwer Fokker moesten de senioren eveneens het veld ruimen. “Ik wil niet, maar ik moet wel”, zei een 55-jarige werknemer van Hoogovens eind december.

De reorganisaties schoten minister De Vries (sociale zaken en werkgelegenheid) in het verkeerde keelgat. Ze stonden haaks op de doelstelling om meer oudere werknemers langer aan het werk te houden, aldus de bewindsman. De Vries dreigde dan ook de zogeheten ouderenrichtlijn - die het arbeidsbureaus mogelijk maakt in te stemmen met ontslagaanvragen waarbij relatief veel oudere werknemers zijn betrokken - per 1 januari 1993 in te trekken.

Het beëindigen van de maatregel verschoof de minister uiteindelijk naar 1 april 1993 en vervolgens naar 1 januari 1994. De Vries was bezweken onder de druk van de centrale werkgevers- en werknemersorganisaties. Want hoewel de sociale partners de noodzaak meer ouderen aan het werk te houden benadrukken, bleek de ouderenrichtlijn een uitstekend instrument om relatief pijnloos te saneren.

De onderzoekers Ziekemeyer, De Kemp (SCP) en Goemans (Anbo) wijzen de knieval van de minister gezamenlijk van de hand. Die ouderenregeling had volgens hen onmiddellijk geschrapt mogen worden. Ze is immers niet zo "ouderen-vriendelijk' als in eerste instantie lijkt. Oudere werknemers staan als eersten buiten de poort, maar als ze weer aan de slag willen, vinden ze minder snel een baan dan hun 35-jarige collega. En juist die mag blijven. Verder bevestigt de richtlijn het beeld dat ouderen voor hun zestigste zijn opgebrand.

De ouderenrichtlijn is ontstaan uit economische noodzaak (slecht renderende bedrijven ontslaan hun personeel), zegt Ziekemeyer met nadruk, en heeft niets van doen met het fysieke of geestelijk vermogen van de oudere werknemer. Sterker, het NIA meent dat hij ook op latere leeftijd uitstekend kan meedraaien.

Enkele wetenschappers twijfelen hieraan. Onderzoek heeft aangetoond dat sommige hersendelen vanaf het 35ste jaar al beginnen te krimpen, vooral die welke essentieel zijn voor het vermogen nieuwe dingen te leren. De Kemp van het SCP wijst er echter op dat dit in de praktijk vrijwel geen rol speelt; met name mensen die eentonige arbeid verrichten en weinig uitzicht hebben op functieverbetering blijken vroegtijdig uit te vallen.

De discussie over ouderenbeleid is voorlopig niet voorbij. Deskundigen voorspellen dat de omslag in het denken over ouderen nog tien jaar in beslag neemt. Maar de tijd dringt. Na de wisseling van de eeuw is de na-oorlogse geboortegolf toe aan de Vut. Maar misschien moeten de baby-boomers tegen die tijd wel tot hun 68ste werken.