Opmars bloemplanten in evolutie veel later dan gedacht

Onlangs werd op de "Big Cedar Ridge' in de Amerikaanse staat Wyoming een uitgebreide fossiele flora uit het Late Krijt ontdekt.

Deze vondst blijkt belangrijke nieuwe inzichten in de evolutie van terrestrische ecosystemen op te leveren. Verrassend is, dat de opmars van de bloemplanten in de evolutie veel trager is verlopen dan tot nog toe werd gedacht. Na dertig miljoen jaar evolutie, zo blijkt uit de begroeiing van Big Cedar Ridge, waren de bloemplanten in het Late Krijt nog maar pover ontwikkeld en volledig ondergeschikt aan de alom aanwezige varens.

In het Late Krijt, zo'n 70 miljoen jaar geleden, was het dinosaurustijdperk op zijn hoogtepunt. De angiospermen (bedektzadigen) ontstonden omstreeks die tijd. Tot nog toe werd gedacht dat de bloemplanten de flora al snel gingen overheersen. Tegenwoordig zijn zij, en dan vooral de tweezaadlobbigen, bijzonder rijk vertegenwoordigd, zowel qua soortenrijkdom als qua habitat.

Uit een onderzoek van Scott L. Wing van het Nationaal Museum voor Natuurlijke Historie van de Smithsonian Institition in Washington D.C. ontstaat een ander beeld. Hij toonde aan dat op de Big Cedar Ridge 61 procent van de soorten tot de angiospermen behoorde. Zij bedekten echter niet meer dan 12 procent van het areaal. De sporenplanten daarentegen, waaronder de varens, bedekten 49 procent van de grond met maar 19 soorten. De enige rijk vertegenwoordigde angiosperm was een bepaalde palmsoort (een monocotyl), die 25 procent van het areaal in beslag nam.

Uit dit en ander floristisch onderzoek blijkt dat de dicotylen aan het eind van het Krijt nog maar schaars vertegenwoordigd waren. Hun aanwezigheid was beperkt tot rivieroevers en verstoorde, marginale terreinen. Elders overheersten de varens en naaldbomen. Toch hadden de dicotylen inmiddels al 30 miljoen jaar uitbundige taxonomische ontwikkeling en diversificatie achter de rug, maar hun grote opmars door het plantenrijk moest blijkbaar nog beginnen.

(Nature, 27 mei 1993)