Notarissen: kinderen op erfdeel vordering geven

MAASTRICHT, 3 JUNI. De Koninklijke Notariële Broederschap heeft een alternatief voor de regeling van het wettelijk erfrecht, dat afwijkt van het voorstel van de regering dat bij het parlement aanhangig is.

De notarissen houden in hun voorstel vast aan hun eerder ingenomen standpunt dat de langstlevende echtgenoot eigenaar zou moeten blijven van de ouderlijke boedel. De kinderen zijn eveneens erfgenaam, maar hun erfdeel wordt omgezet in een vordering in geld die opeisbaar wordt zodra de langstlevende ouder overlijdt. De overgebleven echtgenoot kan binnen drie maanden te kennen geven dat hij of zij de regeling niet aanvaardt.

De voorzitter van de Broederschap, J.W. Klinkenberg, kondigde vanmorgen bij de viering van het 150-jarig bestaan van zijn vereniging aan, dat het voorstel vandaag zal worden aangeboden aan de minister van justitie en aan de Tweede Kamer.

De regeling van het wettelijk erfrecht is al jarenlang een twistpunt tussen de notarissen en het kabinet. Het kabinet wil zoals tot nu toe het geval is de eigendom van de nalatenschap in gelijke porties verdelen over de langstlevende echtgenoot en de kinderen, maar het vruchtgebruik van de gehele boedel toekennen aan de langstlevende echtgenoot. Volgens de regering sluit die oplossing aan bij de huidige testamentaire praktijk. Echtgenoten bepalen onderling bij testament dat de langstlevende het vruchtgebruik over de boedel krijgt om te voorkomen dat een van de de kinderen zijn portie opeist, vaak met het gevolg dat de langstlevende ouder gedwongen wordt zijn huis te verkopen.

De ledenvergadering van de KNB heeft die constructie vorig jaar ingewikkeld, maar werkbaar genoemd. Tegelijkertijd sprak zij echter de voorkeur uit voor een systeem van "ouderlijke boedelverdeling', waarin de langstlevende echtgenoot eigenaar blijft van de hele boedel en de kinderen een vordering in geld wordt toegekend. De uitwerking van dat systeem was binnen de Broederschap tot nu toe een punt van discussie, met name waar het ging over de vraag welke positie de kinderen tegenover de langstlevende ouder moesten innemen.