Moiwana-graf toont broosheid van overwinning op Bouterse

Massagraf of niet, de ontdekking van de stoffelijke resten van voorlopig ten minste vier personen in de omgeving van het bosnegerdorp Moiwana heeft de Surinaamse regering in een lastig parket gebracht. Mensenrechtenactivist Stanley Rensch van het bureau Moiwana '86, die vorige week zaterdag op het graf stuitte tijdens een reis door Oost-Suriname, eist een gerechtelijk onderzoek en strafrechtelijke vervolging van de daders.

De regering reageerde uiterst koel op deze eis. Minister Girjasing van justitie verklaarde tegenover het ochtendblad De Ware Tijd dat “de regering haar verantwoordelijkheden kent en zich niet op stang zal laten jagen”.

Vervolging van de moorden is formeel al veel langer mogelijk. In het vredesakkoord dat de regering vorig jaar sloot met de verschillende rebellengroepen die het binnenland vanaf 1986 onveilig maakten, is weliswaar voorzien in amnestie voor rebellen èn militairen, maar misdaden tegen de mensheid zijn daarvan uitgesloten. De regering staat nu voor het blok. Een gerriteerde minister Girjasing zei dat hij er “een kater” van had en onderstreepte dat “we omzichtig te werk moeten gaan, zodat geen aanleiding gegeven wordt voor onrust”.

Het bloedbad in het bosnegerdorp Moiwana is het beruchtste voorbeeld van de misdadige manier waarop het Nationaal Leger van Desi Bouterse probeerde af te rekenen met de rebellen van Ronnie Brunswijks Junglecommando. Op zoek naar manschappen van Brunswijk, die brede steun genoot onder de bosnegerbevolking in het binnenland, slachtten de militairen in november 1986 ongeveer vijftig dorpelingen af.

De regering van president Venetiaan zit om twee redenen met de kwestie in haar maag. Zo kort na de met veel moeite bevochten overwinning op de oude legertop - die twee weken geleden onder druk van het parlement plaatsmaakte voor de nieuwe bevelhebber Gorré - wil de regering geen nieuwe spanningen met de militairen oproepen. Direct na de aftocht van de oude legerleiding verklaarden bevelhebber Gorré en minister Gilds van defensie dat het leger niet bang hoeft te zijn voor een “grote schoonmaak”. “We gaan werken met de mannen die we hebben”, herhaalde Gorré bij elk van zijn werkbezoeken aan de legeronderdelen. Op de receptie na de vaandeloverdracht aan Gorré waren openlijk hoge militairen aanwezig die onder Bouterse een dubieuze reputatie hebben opgebouwd, zoals de beruchte bataljonscommandant M. Linscheer. Ook de herbenoeming vorige week van de afgetreden legerleider E. Boerenveen, ooit de rechterhand van Bouterse, tot hoogste beleidsadviseur van Gorré geeft aan dat de regering de verzoening zoekt en vooral de indruk wil vermijden dat ze oude rekeningen zal vereffenen. De overwinning op de oude legertop van Bouterse-adepten was na dertien jaar een historisch moment, maar kennelijk nog te broos om volledig uit te buiten.

Bovendien heeft de regering te kampen met dramatische economische problemen, die voor de modale Surinamer onopgeloste vraagstukken uit het verleden, hoe schrijnend ook, overschaduwen. De duizelingwekkende prijsstijgingen van gebruiksartikelen en levensmiddelen, het tekort aan brood en brandstof - dat zijn de zaken die de aandacht van de Surinaamse consument in beslag nemen. Het aandringen op justitieel onderzoek naar de decembermoorden van 1982 of de slachting in Moiwana wordt in brede kring gezien als een weliswaar rechtvaardige maar ook enigszins "luxe' zaak. Daar komt bij, hoe wrang ook, dat het in Moiwana ging om bosnegers - een bevolkingsgroep die niet bij alle Surinamers even hoog in aanzien staat.

Stappen tegen militairen zouden in die situatie ook koren op de molen zijn van de politieke partij van Desi Bouterse, de oppositiepartij NDP, die de afgelopen maanden geen kans voorbij liet gaan om erop te hameren dat het volk verpaupert terwijl de regering ruzie maakt met het leger. Die boodschap slaat nu nog vooral aan onder werkloze Creoolse jongeren in de volkswijken, maar ook onder beter gesitueerden is steeds meer kritiek te beluisteren op de trage, weifelende economische aanpak van de regering. Herstel van de economie is daarom nu zonder meer de eerste prioriteit van president Venetiaan, die ook tijdens het conflict met de militairen herhaaldelijk beklemtoonde dat het machtsvraagstuk mede moest worden opgelost, omdat het een rem zette op de belangstelling van buitenlandse investeerders en de economische ontwikkeling van het land. Eerst het eten, dan de moraal - dat lijkt voorlopig het devies.

“Het Westen raakt het spoor bijster, weet niet meer wat het precies wil met ontwikkelingssamenwerking. We overladen het Zuiden met eisen en formuleren steeds meer doelstellingen - goed bestuur, democratie, duurzame ontwikkeling, onderwijs aan vrouwen, armoedebestrijding - met als enig resultaat dat er niets wordt bereikt.

    • Sjoerd de Jong