Microfauna in bladoksels vormt voedsel voor de muggen; Malaria uit vergeten plantepoeltjes

De WHO besloot onlangs dat bij malariabestrijding de nadruk weer moet liggen op klamboes, horren en de bestrijding van malaria-muggen. Wat meestal wordt vergeten zijn de plantenpoeltjes.

Bij meer dan 1500 plantesoorten behorende tot ongeveer 30 verschillende families vindt men bijzondere strukturen waarin regenwater wordt opgevangen en daar een poosje blijft staan: xboomholletjes, xbladoksels, bladrozetten van Bromelia's, bamboekokers en ledige vruchtdoppen. De Hongaar Varga intruduceerde daarvoor de naam "fytotelmata' (fyton = plant; telma = poeltje).

Vooral in tropische gebieden komen veel plantenpoeltjes voor. In Uganda, Kenya, Tanganyika, Noord Rhodesia, Nyassaland en Zanzibar is uitvoerig onderzoek gedaan naar muggensoorten die daar optreden als natuurlijke dragers en verspreiders van malaria en het gele koorts virus.

Plantenpoeltjes vormen het leefmilieu van talrijke plantjes en diertjes. Vele daarvan hebben een ingewikkelde levenscyclus waarvan meestal een deel in het miniplasje wordt doorgebracht. In zo'n kleine habitat moet vaak een harde strijd om het bestaan worden gestreden. Niet alleen vanwege de dikwijls extreme condities die daar heersen (grote temperatuurschommelingen, zuurstof-gebrek, enz.), maar ook door de aanwezigheid van talrijke concurrenten.

In rottende holletjes, kommetjes en inzinkingen in de stam en in de steunbeerachtige wortels van bomen blijft regenwater staan. Afgevallen bladeren en atmosferisch stof leveren voedsel voor de eerste bewoners die door wind of insekten worden aangevoerd. Het zijn ideale broedplaatsen voor ziekteverwekkers. Van Afrikaanse gebieden zijn wel 17 boomsoorten beschreven waarbij in de holletjes muskietenlarven voorkomen. De eieren, larven en poppen vertonen een grote tolerantie voor perioden van uitdroging.

Niet bekend

Cisternen

De Bromeliaceae hebben in de loop van de evolutie diverse strukturen en mechanismen ontwikkeld om prooidiertjes, voornamelijk insekten, te lokken, te vangen en te verteren. In hun cisternen, een heel complex van bladoksels, vangen ze genoeg water op om daarin aquatische organismen zich te laten ontwikkelen. De Bromeliaceae voeden zich weliswaar net als gewone groene planten door fotosynthese, maar daarnaast moeten zij, gedwongen door hun epifytische levenswijze boven in bomen, de andere voedingsstoffen via hun bladoppervlak opnemen uit het bladokselwater. Behalve door de wind aangevoerde stoffen en ontledingsprodukten van afgevallen bladeren, gebruiken zij daarvoor ook de restanten van flora en fauna die in het cisterne-water leven.

In Uganda, kiest de mug Aëdes simpsoni (verspreider van het gele-koortsvirus dat van de apen via muskieten bij de mens terecht komt) speciaal de fytotelmata van de ananas uit als habitat voor de ontwikkeling van ei tot volwassen insekt.

De epifytisch levende tank-bromelia Vriesea procera werd in het cacao-gebied Bahia (Brazilië) gesignaleerd als een verblijfplats van muggenlarven. Het moeilijke bij de bestrijding van deze insekten is nu dat kleine mugjes, die de noodzakelijke bestuiving van cacao-bloempjes in de plantages moeten uitvoeren, die plantenpoeltjes ook nodig hebben voor hun voortplanting!

Wortelstokken

Het geslacht Xanthosoma hoort thuis in de tropische gebieden van Amerika en behoort tot de Arons- kelkachtigen. In Uganda worden zowel de wortelstokken als het blad als voedsel gebruikt. De bladoksels zijn zeer diep en kunnen grote hoeveelheden water bevatten. Het bleken uitstekende woonplaatsen te zijn voor muggenlarven.

Ook bij de banaan (Musa)-soorten zijn bladoksels, maar er bestaan verschillende variëteiten en die verschillen in bouw van hun bladoksels en het vermogen om water vast te houden. Onder de gekweekte bananen is de "Gonja'-plantain (= pisang) de belangrijkste en die speelt nu ook een rol als broedplaats van muggen. Zeker voor de verspreiding van de gele koorts vormt een gebied met grote aantallen van deze banaan, samen met een warm klimaat, een potentieel gevaar.

Bij vertegenwoordigers uit een zevental families (Acanthaceae, Commelinaceae, Marantaceae, Gesneriaceae, Musaceae, Rafflesiaceae en Zingiberaceae) worden de bloemetjes aan het begin van hun ontwikkeling omsloten door schutbladen. De ruimte tussen de beide schutbladen is gevuld met water en een slijmerige vloeistof. Men nam oorspronkelijk aan dat hier sprake is van bescherming van de bloemen tegen insektenvraat. Nu blijkt dat diverse organismen in die kleine aquaria leven en bepaalde soorten daarvan voeden zich met de nog ondergedoken bloemdelen.

Kolibri's

Een bijzonder soort plantenpoeltjes vinden wij bij het geslacht Heliconia, kruidachtige gewassen (tot 4 m hoog) met bladeren die op bananen-bladeren lijken. Zij groeien in vochtige bossen en in nat laagland van de Neotropische gebieden, Indonesië, Nieuw Guinea en Samoa. De speciale attractie van Heliconia vormen de prachtige, soms vrij grote bloeiwijzen met alternerend gerangschikte, mooi gevormde en fel gekleurde schutbladen. Dit geheel is een aanpassing aan de bestuiving door kolibri's. Die aandacht trekkende schutbladen omsluiten de eigenlijke bloemen. Tevens is er tussen de schutbladen nog ruimte waarin water is opgehoopt. Deels is dat regenwater, maar daarbij is ook vocht dat aktief door de plant in deze ruimte wordt gepompt. De jonge bloemen zijn eerst ondergedompeld en als zij rijp zijn komen ze tevoorschijn en exposeren de voortplantingsorganen boven water voor de bestuiving door de kleine vogels.

De insektenfauna die geassocieerd is met Heliconia-bloeiwijzen is een van de meest intensief bestudeerde onderwerpen van deze wilde plantengemeenschappen. Er leven in die schutbladaquaria o.a. larven van een vlieg (Eristalis), gastheer-specifieke Drosophila's (bananevliegjes), talrijke muskietenlarven en allerlei Protozoa. Er bestaan diverse zeer bijzondere relaties tussen bepaalde diertjes en de Heliconia-plant. Een frekwent voorkomend pantoffeldiertje (Paramecium multimicronucleatum) wordt door terrestrische slakken van het geslacht Caracolus getransporteerd van de ene Heliconia-plant naar de andere. Behalve die slakken komen er ook kleine kikkers om daar eieren te leggen.

Intensieve waarnemingen van de levensgemeenschappen toonden aan dat muskietenlarven grote invloed hebben bij het vaststellen van de struktuur in deze kleine aquatische habitats. Deze larven elimineren nl. snel alle of bijna alle Protozoa en micro-Metazoa.

Vruchtdoppen

In tropische gebieden worden verschillende vruchten door apen afgeplukt en gegeten. In de weggeworpen vruchtdoppen blijft regenwater staan. Aftreksel van organisch materiaal plus uitscheidingsprodukten van onvolwassen stadia van een bepaalde mug stimuleren zoekende wijfjesmuggen van dezelfde soort tot het afzetten van eitjes.

Dit chemisch onderscheidingsvermogen van de muggen kan de scheiding tussen de diverse micro-watertjes bij de eiafzetting bevorderen. Zo zal er dan minder concurrentie zijn tussen nauw verwante soorten.

In Afrika werden, bij het zoeken naar broedplaatsen van muggen, ook larven gevonden in allerlei kunstmatige containers (lege oliedrums, blikken, potten, cementbakken e.d.). Dergelijk materiaal laten bewoners van dorpjes meestal overal rondslingeren. Verder vormen schalen van cocosnoten ook geschikte waterpoeltjes voor de voortplanting van muggen. Wie malaria wil bestrijden, zal niet alleen moerassen moeten droogleggen, maar ook moeten voorkomen dat bij dorpjes overal kokosschalen liggen, oliedrums en lege vruchtdoppen. Zelfs moet hij een argwanend oog werpen op de begroeiing: malariamuggen zitten overal.