"Liever een baan dan politieke experimenten'; Hoezo politieke verandering, alles blijft hetzelfde in Eboli

EBOLI, 3 JUNI. Het is warm in Eboli, en stil. Alle rolluiken zijn naar beneden. De bars zijn dicht, want op straat loopt niemand. De bladeren van de jonge boompjes houden zich doodstil. Een brommer duwt tegen het gordijn van stilte, maar dat blijft dicht. Urenlang blijft alles onbeweeglijk in de hitte van het zuiden.

“Hier verandert nooit iets”, zegt een brede kortgeknipte jongen met een sporttas die om half vijf als een van de eersten de straat op gaat. “Het is allemaal corrupt. Wat nou hoop? Alles blijft hetzelfde.”

De politieke vernieuwing, waarover elders in Italië zo heftig wordt gesproken, is in Eboli een hol begrip. Dit stadje ten zuiden van Napels, dat vanaf het balkon van een bergrug uitkijkt over achttien kilometer vlakte richting zee, gaat zondag stemmen, met tientallen andere grote en kleine steden. De stad hangt vol met affiches. Voor het eerst krijgen de Italianen de kans om rechtstreeks hun eerste burger te kiezen. In Milaan, 850 kilometer verder naar het noorden, is dat een breekijzer voor een versteend systeem, in diskrediet geraakt door corruptie. Maar voor de 34.000 inwoners van Eboli lijkt het een keuze te worden te worden tussen de socialisten (PSI) en de christen-democraten (DC), de twee partijen die in Milaan hun kandidaten niet onder de partijnaam durven te presenteren.

Christus is niet verder gekomen dan Eboli, schreef Carlo Levi in zijn boek over zijn verbanning onder het fascisme naar het woeste, onherbergzame Lucania, de streek ten zuiden van Eboli. Hij zag de stad als een grenspost tussen noord en zuid, een laatste stukje beschaving voordat de culturele woestijn begon. De stad presenteert zich nog steeds graag zo, en is bijvoorbeeld veel leefbaarder dan de rauwe voorsteden van Napels. Maar Eboli zit gevangen in dezelfde dilemma's als heel het zuiden. “Voor echte vernieuwing zouden de mensen iets anders moeten stemmen dan DC of PSI”, zegt een man die met zijn vriend alvast is begonnen aan de pantoffelparade in de hoofdstraat. “Alleen zo kan er een einde komen aan de economische verlamming waarin alles afhankelijk is van de publieke sector, waarin iedereen bij de gemeente werkt, of in het ziekenhuis.”

Er zijn acht lijsten, maar een levensvatbaar alternatief voor DC of PSI is niet zichtbaar. Naast de neofascisten zijn er vier linkse lijsten en een groep ondernemers en technici die een vinger in de pap willen houden bij de planning van openbare werken.

De echte vernieuwing is binnen de muren gebleven van een appartement aan de rommelige via Ceffato, boven het postkantoor. Hier woont Gioacchino Glielmi, professore Glielmi, want hij is leraar Engels. Hij is lid van de Groene partij en de plaatselijke vertegenwoordiger van Mario Segni, de gangmaker achter de referenda voor politieke vernieuwing die droomt van een land met twee, drie grote allianties die om beurten aan de macht zijn.

“Ik heb het geprobeerd”, zegt Glielmi, in het accent van de streek waarin iedere t een d wordt en iedere s een z. “Maar het is niet gelukt om een derde groep te vormen, naast de christen-democraten en de socialisten. Links is zoals altijd te verdeeld. Dat er vier linkse lijsten zijn, komt omdat iedereen een zetel in de gemeenteraad wil krijgen. Provinciaal links is zijn idealen kwijt en bedrijft partijpolitiek, net als de andere partijen. Ook zij hebben hun macht gebruikt om hun vrienden te helpen, met een baan, met een plaatsje in een van de case popolari (een soort woningwetwoningen, ML). Het clientelisme zit ons in het bloed.”

Werk is belangrijker dan politieke vernieuwing in Eboli. Ongeveer eenderde van de bevolking zit zonder werk. Daarom spelen de mensen op safe. Geen gevaarlijke experimenten. De politiek is hier de weg naar een baan, naar een uitkering. “Alles staat hier in het teken van: Che ti serve, wat heb je nodig”, zegt Glielmi.

Hij laat zijn vrouw een glas water halen voor de verhitte bezoekers, stuurt zijn zoon naar zijn werkkamer om de gedichtjes van Kipling te halen die hij heeft uitgedeeld met zijn foto eraan geniet en een tekst van Martin Luther King: “De grootste tragedie van deze eeuw is niet het luidruchtige geraaskal van de slechte mensen, maar de beangstigende stilte van de eerlijken.”

Er is genoeg om boos over te worden in Eboli. De gemeente is vrijwel failliet, met een schuldenlast van ongeveer dertig miljoen gulden. Te veel mensen zijn aangenomen door de gemeente, de projecten zijn te groots opgezet. De nieuwe sporthal is vrijwel klaar en biedt onderdak aan clubs uit de wijde omgeving. Maar het nieuwe gemeentehuis is al jaren een staketsel waar de stukken ijzer uit het beton naar boven steken. De bibliotheek is gestorven in schoonheid: geld om het gebouw met zijn kostbare rondingen af te maken, was er niet. De nieuwe vleugel van het streekziekenhuis is gereed, maar kan niet worden gebruikt, want de lift is te smal voor brancards.

Iedereen kan de schuldigen aanwijzen: de christen-democraten, tot voor kort de grootste partij maar nu in de oppositie, en de socialisten, die daarna de stad samen met de ex-communistische Democratische Partij van Links heeft bestuurd totdat Rome een paar weken geleden een commissaris stuurde omdat de stad op de rand van het bankroet balanceert.

“Wij erkennen wel dat er veel fout is gegaan in het verleden, daarom zijn we aan het vernieuwen”, zegt de 53-jarige Ugo Iorio, afgestudeerd in het Turks, maar nu leraar Engels en kandidaat-burgemeester voor de socialistische partij. In hemdsmouwen doet hij zijn verhaal: een socialist van de oude stempel, die zegt dat Craxi zich heeft vergist omdat hij heeft meegedaan in het smeergeldsysteem, maar zijn voormalige leider niet wil afzweren. In een stoel op de achtergrond houdt de secretaris van de partijafdeling, in dasje en jasje, hem in de gaten. Aan de muur twee tekeningen van landarbeiders.

Als bewijs van vernieuwing laat Iorio de lijst met socialistische kandidaten voor de gemeenteraad zien, waarachter de leeftijden zijn vermeld. Niemand is ouder dan 34 jaar. Van de zestien zittende gemeenteraadsleden zijn er slechts drie opnieuw kandidaat. Hetzelfde is gebeurd met de lijst van de PDS.

“Onze mensen zijn schoon: geen corruptie, geen camorra,” zegt hij, onder een portret van ex-minister Carmelo Conte. Deze socialist was de eerste politicus uit Eboli die het tot minister heeft gebracht, en ook al is zijn naam gevallen in een corruptieschandaal, de plaatselijke partijafdeling is er trots op.

De vernieuwing bij de christen-democraten gaat iets verder dan verjonging. “Het klinkt misschien raar, maar bij de christen-democraten is nog de meeste echte vernieuwing zichtbaar, al is die veel te beperkt”, zegt Pierpaolo Cito, een jonge plaatselijke journalist. Naast de staande klok in zijn ouderlijk huis vertelt hij dat een aantal toonaangevende geestelijken de partij heeft laten weten dat zij niet meer op de steun van de kerk kon rekenen als zij geen andere koers insloeg. “Nu zie je dat weer mensen terugkomen naar de partij die zij jarenlang hebben gemeden omdat zij het niet eens waren met de manier waarop die opereerde”, zegt Cito, aanmoedigend toegeknikt door zijn moeder. “Vernieuwing hier is geen zaak van generaties”, zegt Cito. “Het gaat erom dat oude waarden weer worden opgepakt.”

In de hoofdstraat, de verrassend moderne viale Amendola, met winkels en kantoren die allemaal net een facelift hebben ondergaan, wordt dat beaamd door een gerimpelde oude man die vertelt dat hij jaren op het land heeft gewerkt. “Als het niet wordt zoals het vroeger was, komen we niet verder”, zegt hij. "Vroeger' is voor hem vijftien jaar geleden. “Toen zijn de rovers gekomen.”

De rovers, dat zijn de politici die de kogelgaten en de nog altijd niet herstelde schade door bombardementen in de Tweede Wereldoorlog in het oude centrum negeren, en zich liever verrijken met megalomane openbare werken. Als het contract is geregeld en de steekpenningen zijn binnen, dan geven ze er niet om als het werk nooit af komt. De rovers, dat zijn de politici die ervoor verantwoordelijk zijn dat honderden gezinnen al jarenlang wonen in sloppenwijken van kunststof noodwoningen aan de rand van de stad, een voedingsbodem voor de camorra, de Napolitaanse versie van de mafia.

Veel betekent de georganiseerde misdaad niet in Eboli, maar de stad heeft wel zijn eigen familie, de Maiale's, Italiaans voor "zwijn'. Iedereen kent ze. “Kijk, daar gaat er één”, klinkt het bij het kerkhof als een zware motor voorbijstuift.

De meeste Ebolitanen kennen de misdaden van hun eigen camorra alleen uit de kranten, uit de verslagen van processen die in het nabije Salerno worden gevoerd. Geschoten wordt er niet vaak in Eboli. Het is er rustig - en waarschijnlijk komt ook de politiek hier niet echt in beweging.

    • Marc Leijendekker