Kamer stemt in met beurs voor 1200 kunstenaars

DEN HAAG, 3 JUNI. De Tweede Kamer is gisteren akkoord gegaan met het voorstel van minister d'Ancona (WVC) en staatssecretaris Ter Veld (Sociale Zaken) om per 1 januari 1994 1200 beeldende kunstenaars die nu afhankelijk zijn van de bijstand een vierjarig stipendium te geven.

Per jaar krijgen deze kunstenaars 22.500 gulden bruto op jaarbasis, plus 5000 gulden beroepskosten vergoeding. De overige kunstenaars, zowel beeldende als niet-beeldende, mogen vanaf 1 januari niet langer dan een jaar een beroep op de bijstand doen. Daarna moeten ze ander werk zoeken. De vrijstelling van de sollicitatieplicht, zoals die nu aan kunstenaars verleend wordt, vervalt. Een en ander is een gevolg van de door Ter Veld voorgenomen aanscherping van de bijstandswet.

Het Fonds voor Beeldende Kunst, Vormgeving en Bouwkunst (BKVB) gaat de stipendia namens WVC verdelen en krijgt daarvoor van Sociale Zaken een extra bedrag van twintig miljoen gulden. Dit geld komt vrij omdat deze kunstenaars geen bijstandsuitkering meer krijgen. Alleen kunstenaars die volgens het Fonds voldoende professionele kwaliteit bezitten, en momenteel voor een beroepskostenvergoeding in aanmerking komen, kunnen het stipendium krijgen.

De oplossing om alleen beeldende kunstenaars een stipendium te geven, is volgens de Kamer te beperkt. Ook kunstenaars uit andere disciplines, zoals dansers en musici, steunen bij hun beroepsuitoefening op de bijstand. Ook zij komen door de aanscherping van de bijstand in problemen. Op verzoek van de kritische Tweede Kamer zullen de bewindsvrouwen onderzoeken of ook voor niet-beeldende kunstenaars nog een oplossing gevonden kan worden. De Kamer drong er bij de bewindsvrouwen op aan om samen met de kunstenaarsbonden, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Voorzieningsfonds voor Kunstenaars rond de tafel te gaan zitten.

Deze organisaties hebben alternatieve oplossingen voor het probleem van kunstenaars in de bijstand aangeboden. De VVD zag het meest in het voorstel van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) om de kunstenaar als een bijzondere kleine zelfstandige te zien, die binnen drie tot vijf jaar zelfstandig moet worden met behulp van de bijstand. Het CDA, D66 en Groen Links voelden meer voor de oplossing van het Voorzieningsfonds voor Kunstenaars (VvK), waarbij alle bijstandskunstenaars een basisbeurs kunnen krijgen die driekwart van het bijstandsniveau bedraagt. De rest (tot het minimumloon-niveau) moeten kunstenaars dan zelf bij verdienen. Ter Veld ziet weinig in dit plan, dat een verlaging van de uitkering inhoudt.

Om jonge, beginnende kunstenaars meer dan een jaar een kans te geven hun beroepspraktijk op te bouwen zou een regeling (met bij voorbeeld door de overheid betaalde stages) als bij het Jeugd Werk Garantieplan opgezet kunnen worden, aldus Ter Veld en d' Ancona. Ter Veld verwacht dat voor kunstenaars die moet solliciteren in de culturele sector passend werk te vinden zal zijn. In individuele gevallen kunnen Sociale Diensten aan kunstenaars in de bijstand alsnog vrijstelling van sollicitatieplicht verlenen, zei zij.