Industriepolitiek als paard van Troje

Kopper had daarmee even een willig gehoor: de Nederlandse financiële wereld heeft juist eendrachtig de plannen voor grotere overheidsinvloed afgewezen. Het Industriefonds van Andriessen dat vorige maand van start is gegaan, kan rekenen op hoon en smaad. Maar daarmee had Kopper nog niet "model Duitsland' verkocht, wat zijn bedoeling was.

Kopper heeft in eigen land Konrad Seitz als opponent, destijds een strateeg van Genscher. Seitz schreef Die Japanisch-Amerikanische Herausforderung. Deutschlands Hochtechnologie-Industrien kämpfen ums Überleben, een titel die de doorbraak naar bestsellerlijsten niet eens belette. Seitz schetst verval van de Europese industrie en suggereert de rivaliteit tussen bedrijfsleven en overheid te laten varen. Hij neemt als voorbeeld de Japanse industriepolitiek via het Miti, waar politiek, wetenschap en bedrijfsleven samenwerken.

Kopper sprak gisteren over de "mythe van de Miti', die alleen in stand wordt gehouden omdat het Japanners vleit, Europese bedrijven een alibi voor falen verschaft en politici steunt in de gedachte dat industriepolitiek mogelijk is.

Kopper ziet alleen kansen voor de politiek wanneer de staat een informatievoorsprong op het bedrijfsleven heeft. “Anders gaat het als in een bioscoop: wanneer er één opstaat, kan hij het beter zien. Staan ze allemaal op, dan is er geen voordeel meer, maar moet iedereen zijn stoel missen.”

De Deutsche Bank-president zette zich af tegen het "importeren van Japan Incorporated' en waarschuwde tegelijk tegen "het Amerikaanse korte termijn-denken'. Wat overblijft is eigen kracht, het bestaande Duitse consensus-model met zijn hechte betrekkingen tussen bank- en bedrijfsleven, aldus Kopper. Hij is daar zelf met zijn talrijke commissariaten, waaronder het voorzitterschap van Daimler Benz, een levend bewijs van.

Volgens Kopper zouden Angelsaksische landen interesse hebben om delen van "model Duitsland' over te nemen. Ondanks de commissarisplaatsen en de aandelenpakketten hebben de Duitse banken meer invloed dan macht, zo betoogde Kopper. “De macht van Duitse banken is een mythe die in het buitenland ontstaan is.” De mythe moet echter overgewaaid zijn: de SPD en de Groenen stellen die macht immers al jaren aan de kaak. Kopper maakte echter bekend best wat aandelen van de hand te willen doen. Toehoorder dr. F. Swarttouw, die "zijn' Fokker onlangs in de handen van Kopper zag overgaan, had ook andere ervaringen met de macht van Duitse banken. “U kunt wel betogen dat er verhoudingsgewijs weinig commissarissen van banken zijn, ze zitten wel bij de grote Duitse ondernemingen.”

In Koppers repliek bracht hij de commissaris naar voren als louter adviseur die “men ook voor triviale zaken kan bellen”. Hij betoogde dat Daimler bijvoorbeeld maar al te vaak Deutsche Bank overslaat als financier.

Éminence grise van het Nederlandse bankwezen, mr. H. Langman, wist daar meer over: “En, Herr Kopper, bij wie plaatst Daimler zijn emissies?” Kopper bleef vrolijk: “Tja, met emissies is maar één bank in Duitsland echt goed en dat is de Deutsche Bank.”

De onmacht van individuele banken om de sleutelindustrie te behouden en de bom onder het Duitse concensusmodel na het aftreden van IG Metall-voorzitter en Daimler-commissaris Steinkühler, hebben Kopper niet uit zijn evenwicht gebracht. Zelfs het drama in Solingen tornt niet aan zijn optimisme over het bestaande "model Duitsland'. Of de toehoorders ook dat optimisme zijn gaan delen is het geheim van Oud Wassenaar. Seitz signaleerde al: hoe groter de crisis, hoe meer Europeanen teruggrijpen naar oude waarden. Maar in tegenstelling tot Kopper is Seitz dan ook een pessimist.

    • WABE van ENK