Girodienst jaar dicht

De afgelopen jaren werd Nederland geconfronteerd met de chaos rond de studiefinanciëring. Studenten kregen hun geld te laat, kregen te veel, te weinig of niets. In 1923 vond een gelijksoortig debacle met grotere gevolgen plaats bij de girodienst. De 113.000 rekeninghouders kregen te maken met sluiting van de dienst, een sluiting die een jaar duurde.

De girodienst werd in 1918 opgericht. Tot augustus 1923 werden de rekeningen bij de 358 plaatselijke postkantoren verwerkt en het centrale kantoor in Den Haag hield toezicht. In 1921 besloot de girodienst de boekingen te centraliseren. Ze moesten voortaan met ponskaartmachines worden verwerkt in het centrale kantoor.

Ponskaartmachines waren eind vorige eeuw in de VS ontwikkeld voor de volkstelling. Gegevens worden middels gaatjes in kaarten geregistreerd en machinaal geteld. Ze kunnen zo meerdere keren, in diverse combinaties, worden geteld. Het Centraal Bureau voor de Statistiek schafte als eerste in Nederland ponskaaartmachines aan (1916).

Voor de reorganisatie neemt de Girodienst de MABO (Bureau voor Mechanisch Administratieve Bedrijfsorganisatie) als adviseur in de arm. Dit bureau is opgericht door enkele medewerkers van de Rotterdamsche Bankvereeniging, waar met ponskaarten wordt gewerkt.

In 1922 bestelt de giro voor 1,2 miljoen gulden ponskaartmachines; de grootste Europese order tot dan toe. Ondanks adviezen om de dienst korte tijd te sluiten, wordt één dag uitgetrokken voor de reorganisatie: 24 augustus 1923. Alle postkantoren moeten die dag de saldi van hun rekeninghouders doorgeven. Vanaf dat moment worden de rekeningen op het hoofdkantoor bijgehouden.

Er gaat echter van alles mis. Zowel in de opgaven van de postkantoren als bij de boekingen worden fouten gemaakt. Ze worden verwerkt door personeel dat onvoldoende is getraind en de administratie raakt al snel ontregeld.

De Nederlandse Bank schrijft enkele maanden later in een rapport: "Had men op 25 augustus, ja, op 26 augustus dit onder de oogen gezien, en den dienst eenige dagen stop gezet om te trachten weer in het goede spoor te komen, wellicht was de verwarring in den inwendigen dienst tot kleinere proporties beperkt gebleven... Het publiek, de afschriften der rekeningen thuis krijgende, zond klacht op klacht naar het centraalkantoor aan het Spaarneplein. 10.000, 20.000, 30.000 klachten over foutieve boekingen bereikten de centrale administratie. Deze klachten moesten worden gesorteerd en beantwoord, terwijl het personeel reeds overbelast was met werk. Men vulde het personeel aan met krachten van postkantoren elders; dag en nacht werd gearbeid.'

Het inzetten van extra, onervaren personeel blijkt de problemen te verergeren. De rijen mensen met klachten voor de loketten in het centrale kantoor groeien; ze bevolken de gangen waar inmiddels ook personeel zit te werken. Een adviseur die erbij wordt gehaald, verklaart later dat de meest vreemde fouten worden gemaakt:

'Men vond het debet onder het credit gesteld, telefoonnummers waren als rekeningnummers genomen. (...) Er was geen leiding en geen behoorlijke contrôle. De meisjes maakten handwerkjes en het mannelijk personeel wijdde zich aan de flirt.'

Er zijn ook rekeninghouders die een te hoog saldo op hun rekening aantreffen, in één geval zelfs 5 miljoen. Er wordt nog een maand doorgewerkt tot vragen in de Tweede Kamer uiteindelijk op 4 oktober leiden tot sluiting van de girodienst, anderhalve maand na de reorganisatie. Alle boekingen uit de voorgaande maanden moeten worden overgedaan. De directie wordt op non-actief gesteld en de rekeninghouders wordt per brief gevraagd informatie over hun saldo te verstrekken. Ze kunnen een verzoek indienen om maximaal 90% uitgekeerd te krijgen.

De girodienst blijft een jaar lang gesloten. Er wordt besloten de boekingen centraal te blijven verwerken, maar wel met de hand. De ponskaartmachines worden overgedaan aan andere overheidsinstellingen.

De Directeur-Generaal van de Posterij en Telegrafie laat een onderzoek instellen naar de ontwrichting door een commissie onder voorzitterschap van mr. A. Tak, advocaat-generaal bij de Hoge Raad. Deze legt de schuld bij de directie, die zich niet goed genformeerd heeft en te veel heeft vertrouwd op MABO-directeur A. Cohen: "Nauwelijks was met den heer Cohen kennis gemaakt, of hij werd de man van den dag. Wat hij zeide was evangelie...' De commissie beschuldigt hem van "schromelijke zelfoverschatting, waarvan het girobedrijf de wrange vruchten heeft geplukt... Hij moge dan zich zelf al een reus wanen, in het girobedrijf heeft hij getoond, dat het beter was geweest, indien men zijn persoon, zijne voorlichting en zijn advies daar nooit had gekend.' Hij liet na zich in het buitenland te oriënteren en had zich "niet eens de geringe moeite getroost te Amsterdam op het girokantoor een kijkje te nemen.' De commissie stelt voor de leiding van de Postcheque en Girodienst te degraderen en te onderzoeken of de MABO via de rechter financieel aansprakelijk kan worden gesteld "wegens wanpraestatie harerzijds'.

De schade blijft qua aantal opzeggingen van rekeninghouders - circa 5000 - beperkt, maar de kwestie krijgt een triest einde: de directeur van de girodienst, A.W. Kymmell, pleegt zelfmoord.

De Amsterdamse gemeentelijke girodienst voert enkele jaren later met succes ponskaartmachines in; de postgiro blijft de boekingen echter tot de komst van de computer in de jaren zestig grotendeels handmatig verwerken. Dirk de Wit, als historicus verbonden aan de Erasmus Universiteit: "Het trauma werkte sterk door in de besluitvorming, die mede daardoor negen jaar in beslag nam. Vanwege het debâcle in de jaren twintig drongen oudere werknemers er vervolgens bij kinderziektes van de computerverwerking op aan terug te keren naar handverwerking. Vermoedelijk was de omzetting anders sneller gedaan. Nu werd voorzichtigheid het stigma van de automatisering bij de girodienst. De rekeninghouders werden groepsgewijs op de computer overgezet, waarbij de boekingen ook nog met de hand werden verwerkt. Alles werd dubbel uitgevoerd. De omzetting duurde vijf jaar.'

Postcheque- en Girodienst, rapport en advies van de Nederlandsche Bank, 15 november 1923

Rapport over de oorzaken van de ontwrichting en van de verergerde ontwrichting van den Postcheque- en girodienst en de schuldigen daaraan, 's-Gravenhage, 1924.