Frans-Duits

ONDER HET Franse motto: de Frans-Duitse betrekkingen zijn niet zo goed als die binnen de Parijse "cohabitation' hebben gisteren president Mitterrand, kanselier Kohl en premier Balladur de 61ste topbijeenkomst tussen beide landen afgewikkeld. Het slotcommuniqué laat zich oppervlakkig lezen als een document van warme vriendschap en krachtig optimisme, maar kan toch niet verhullen dat er grote meningsverschillen bestaan. Zo voerde de Franse president achteraf de gezamenlijke verklaring aan als bewijs dat de standpunten met betrekking tot Bosnië elkaar waren genaderd, een diplomatieke manier van zeggen dat de overeenstemming allesbehalve totaal was.

Overigens liggen de Franse en Duitse standpunten over de onderhandelingen binnen de GATT nog verder uit elkaar dan die met betrekking tot Bosnië. Zeker gaan ze dieper. De Franse regering toont zich onbuigzaam waar het om haar afwijzing van het agrarische akkoord tussen de Verenigde Staten en de EG gaat en toont geen vrees voor een eventueel breder Atlantisch handelsconflict. Bonn daarentegen wordt in de gaten gehouden door het op export gerichte Duitse bedrijfsleven dat in tegenstelling tot het Franse patronaat zijn kansen zoekt op open markten. Kohl had naar Beaune een brief meegekregen van het Bundesverband der Deutschen Industrie om hem nog eens voor de Franse bedoelingen en motieven te waarschuwen.

EEN DERGELIJK strategisch uit elkander groeien als bij de internationale handelspolitiek het geval is, ontbreekt in de kwestie-Bosnië. De opleving van historisch bepaalde Frans-Duitse animositeit die bij het begin van de Joegoslavische crisis hoorbaar werd en die zich toespitste op de al dan niet erkenning van de nieuwe republieken is van korte duur geweest. Hooguit wordt in terugblikken ex-minister Genscher verweten die erkenning te hebben geforceerd. Wat er aan accentverschillen is overgebleven betreft de middelen waarmee en de wijze waarop het eenduidige doel van het beëindigen van het geweld moet worden bereikt.

De Duitse positie in dat discours is bijzonder zwak omdat de Bondsrepubliek er almaar niet in slaagt een nieuwe veiligheidspolitiek te ontwerpen die geloofwaardig mag worden genoemd. Duitse kritiek op het vijf-landenplan om zich voorlopig te beperken tot het zonodig beveiligen van VN-troepen die in de zogenoemde vrijplaatsen voor Bosnische moslims zijn en worden gestationeerd, zou pas indruk maken als Bonn zijn verantwoordelijkheid op dit punt zou nemen. De politieke verhoudingen in Duitsland maken dit onmogelijk en Kohls gesprekspartners trekken daaruit hun conclusies.

ZO VERLIEST de Bondsrepubliek geleidelijk aan steeds meer haar nog prille status van Europese grote mogendheid. Politieke impasse en economische crisis verlammen een bondsregering die mede als gevolg van eigen en te lang volgehouden desinteresse voor het vreemdelingvijandige radicalisme nu ook nog in een morele crisis dreigt vast te lopen. Maar niet aannemelijk is dat nu de Franse gesprekspartners uit al die Duitse tegenslagen een platform timmeren waarop zij met succes het Europese leiderschap zullen opeisen. Ook Frankrijk heeft even aan zichzelf genoeg.