Een op hol geslagen geleerde

Jeffrey Masson is zo iemand die niet van ophouden weet. Bij de rechtbank in San Francisco loopt nu een door hem aangespannen proces tegen de journaliste Janet Malcolm, die een interview met hem heeft gehad voor het weekblad The New Yorker. Met dit in 1983 gepubliceerde vraaggesprek was hij niet tevreden, hij ageert er al tien jaar tegen en eist nu 7,5 miljoen dollar schadevergoeding.

Masson heeft vele deskundigheden (hij specialiseerde zich onder andere in Sanskriet), maar de meeste faam verwierf hij zich door zijn bemoeienissen met de psychoanalyse.

Aanvankelijk was hij Freudiaanser dan Freud en hij wist het vertrouwen van Anna Freud te winnen die hem de aangewezen persoon achtte om het Freudarchief te gaan beheren. Maar andere zwaargewichten in het Freudiaanse wereldje zagen niet zo veel in hem en later haalde hij zich de woede van de hele psychoanalytische gemeenschap op de hals door Freud retrospectief te beschuldigen van bedrog bij het poneren van de verleidingstheorie: Freud meende dat de herinneringen van neurotische patiëntes aan seksuele overmeestering door de vader berustten op verdrongen wensen en fantasieën, terwijl hij in een eerder stadium hun herinnering wel als de waarheid beschouwde.

Volgens Masson zwichtte Freud onder druk van de burgerlijke moralisten van die tijd, voor wie seksueel misbruik en incest onaanvaardbaar en dus onbestaanbaar waren. Massons verwijt aan Freud kwam erop neer dat hij iets zeer belangwekkends op het spoor was gekomen, maar te laf was om het door te zetten.

De ruzie tussen Jeffrey Masson en Janet Malcolm gaat over het uit de context lichten van citaten, en ook beschuldigt hij haar van het opschrijven van uitspraken die hij nooit heeft gedaan. Zo staat in het interview te lezen dat Masson zichzelf een "intellectuele gigolo' noemt, dat hij van plan was het Freudarchief te veranderen in een "plaats van seks, vrouwen en lol' en dat hij zichzelf "als de grootste levende psychoanalyticus beschouwde'. Masson ontkent deze uitspraken ooit te hebben gedaan en ze zijn ook niet aangetroffen op de veertig uur band die Malcolm aan het interview heeft overgehouden. Maar de bandrecorder was ook wel eens kapot en toen heeft Malcolm aantekeningen gemaakt, is haar verdediging.

De hele ruzie wijkt op het oog niet af van het soort aanvaringen dat zich voordoet wanneer een genterviewde na uren van quasi-intimiteit zijn woorden ineens meedogenloos zwart-op-wit ziet staan. Waarom is dit wel een grote zaak geworden, terwijl al die andere gevallen met wat gemopper, ingezonden brieven, eventueel een rectificatie toch meestal snel worden gesust? Dat komt doordat het hier The New Yorker betreft, een tijdschrift dat zich erop beroemt zowel hoge literaire als hoge feitelijke maatstaven aan te leggen. Zoals de vroegere hoofdredacteur William Shawn het formuleerde: “Wij bij The New Yorker permitteren ons geen composities; we herschikken geen feiten; we verzinnen geen gesprekken.”

Hoe deugdzaam dit ook klinkt, het is niet de praktijk van het schrijven van interviews. Elke interviewer herschikt, herformuleert en stileert. Anders zou de lezer een onbegrijpelijke woordenbrij op papier aantreffen. Spreektaal is geen schrijftaal. Veel compositorische franje in de trant van “Masson neemt eerst een hapje gebakken geitekaas, voor hij van wal steekt”, is trouwens geheel irrelevant.

Het is ondoenlijk in dit geval de waarheid boven tafel te krijgen, omdat ik denk dat ze allebei te goeder trouw zijn. Masson zal gelijk hebben dat hij de gewraakte uitspraken niet exact op die manier gedaan heeft, maar waarschijnlijk wel allerlei andere die daar sterk op lijken. Journalisten snijden bochten af, ze willen graag tot de kern doordringen, althans tot wat zij als de kern zien. Het gaat in deze affaire ook niet zozeer om de letterlijkheid van citaten of de leugenachtigheid van de journalist, als wel om een essentiële botsing tussen twee persoonlijkheden. Jeffrey Masson spreidt in zijn hele optreden de flamboyantie van een op hol geslagen geleerde ten toon, vergelijkbaar met bijvoorbeeld Camille Paglia of Linus Pauling.

Een jaar of zes, zeven geleden woonde ik een lezing van hem bij in Paradiso, waarin hij zijn ideeën over Freuds verleidingstheorie uit de doeken deed, en ik werd toen vooral getroffen door de pathetische manier waarop hij naar de gunsten van het vrouwelijke deel van het publiek dong. Het leek wel alsof hij zich opwierp als redder van het feminisme door zichzelf te presenteren als eenzame strijder tegen de patriarchale samenzwering van Freudianen en de rest van de maatschappij om seksueel misbruik in de kast te houden. Deze schmierende zelfvergroting beviel me niet zo erg.

Het lijkt me duidelijk wat er fout is gegaan met dit interview. Het is veel en veel te lang: 48.500 woorden, de lengte van een kleine roman! Malcolm heeft over een periode van een half jaar gesprekken met hem gevoerd, zowel in persoon als over de telefoon, en daarna maanden aan de uitwerking besteed. Maar ze vond hem niet geweldig, dat valt uit het interview op te maken. Waarschijnlijk vond ze hem een beetje een ouwehoer. Een briljante geest ontegenzeglijk, met originele ideeën en een grote gedrevenheid, maar ook een aanmatigend persoon die naast juweeltjes een hoop onzin uitslaat. Met zo iemand kun je maar beter niet maanden lang optrekken voor een interview, want dan ga je je ergeren aan het streepje gekte dat door hem heen loopt.

Al is het begrijpelijk, het blijft onrechtvaardig het uiteindelijke produkt in het teken van die gekte te zetten, omdat de genterviewde tijdens al die urenlange gesprekken in de waan verkeerde met het uitstorten van zijn ziel en zaligheid aan het juiste, sympathiserende adres te zijn. Als hij al die tijd erin steekt, moet het resultaat ook een beetje naar zijn smaak zijn. Voor wat, hoort wat. Een gevolg van zo'n langdurige, intieme coproduktie is wel dat het artikel aan journalistiek niveau inboet - tenslotte horen geautoriseerde biografieën ook niet tot de meest hoogstaande literatuur.

De uitweg voor de journalist uit dit dilemma ligt voor de hand: houd het kort, dan zijn de verplichtingen niet zo zwaar. Ischa Meijer zei ooit dat hij voor zijn interviews in VN nooit langer dan twee uur met iemand sprak, en hij liet ze nog autoriseren ook. En kijk eens, wat een schitterend scherpe portretten deze werkwijze opleverde.