Bolkestein en Quené stoeien over respectabel adviesorgaan; Nut en onnut van de SER

DEN HAAG, 3 JUNI. De Sociaal-Economische Raad moet weg. Dat vindt de één. Nee, de SER is een onmisbare schakel in de Nederlandse overlegeconomie. Dat meent de ander.

Tussen de opvattingen van VVD-leider F. Bolkestein en SER-voorzitter Th. Quené - gisteren op initiatief van de Prof. Teldersstichting met elkaar in debat in het Haagse perscentrum Nieuwspoort - zit dus een wereld van verschil.

Werkgevers- en werknemersorganisaties, die twee derde van de zetels in de SER bezetten, horen geen publieke macht te bezitten, stelde Bolkestein. Het primaat hoort aan de politiek; een maatschappelijk draagvlak kan alleen maar blijken uit het bestaan van een meerderheid in het parlement. Politici moeten zich niet dwingend laten adviseren door belangenorganisaties met wie ze ook moeten overleggen. Daarvoor hebben ministers ambtenaren die er tenslotte ook zijn om “orde te scheppen in de chaos die politici kunnen scheppen”.

Het is naëf te veronderstellen, aldus Quené, dat de politiek besluiten kan nemen zonder implementatie via maatschappelijke organisaties. De ambtelijke top van nu is meer georiënteerd op het leiden van een departement dan op kennis van het "veld'. “Geen onderwijsbeleid zonder onderwijsorganisaties, geen volkshuisvesting zonder volkshuisvestingsorganisaties, geen mestbeleid zonder boerenorganisaties.” En dus geen sociaal-economisch beleid zonder de SER, waarin werkgevers en werknemers hun botsende opvattingen vaak via "onafhankelijke' Kroonleden tot consensus laten kanaliseren.

Bolkestein was tot veel bereid om zijn gelijk te bewijzen. Hij citeerde zelfs met instemming premier Lubbers die de SER ooit karakteriseerde als “een baal hooi die alles afremt”. En, suggesties voor een paarse coalitie ten spijt, doelde hij op CDA-fractieleider Brinkman toen hij “de minister-president-in-spe” aanhaalde die ooit de "rituele dansen' van de SER laakte.

Desondanks bleek Bolkesteins opinie ook in liberale kring niet onomstreden. G. van Dalen wierp zich op als verdediger van de overlegeconomie. Hij wees op de huidige CAO-praktijk die heeft bewezen dat er voor de WAO-maatregelen van de politiek geen maatschappelijk draagvlak is. Geen verbazingwekkende opinie van de voorzitter van de vakcentrale MHP. Maar toch pikant, omdat Van Dalen ook een van de auteurs is van het toekomstige verkiezingsprogramma van de VVD.

Steun uit de zaal kreeg Quené ook van SER-lid J. Stekelenburg, voorzitter van de vakcentrale FNV. En hoe het dan wel moest, wilde hij van Bolkestein weten. Welnu, antwoordde deze: stel dat de minister het minimumloon wil afschaffen. Dan vraagt hij advies aan de geheel onafhankelijke Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Vervolgens komt de minister, al dan niet na "tegengas' van zijn ambtenaren, tot de conclusie dat het minimumloon moet verdwijnen. Dan wil hij weten wat de sociale partners ervan vinden en dus legt hij zijn voornemen voor aan de Stichting van de Arbeid (waarin werkgevers en werknemers met elkaar overleggen, zonder Kroonleden). Vervolgens neemt hij een besluit dat hij voorlegt aan het parlement. En daar wordt gestemd.

Ziedaar Nederland zonder SER. Die overigens niet de schuld mag krijgen van de stroperigheid in de besluitvorming. Want daar waren Quené en Bolkestein het wel over eens: de politiek organiseert de overlegeconomie en als de SER vervolgens als "schuilkelder' (Bolkestein) wordt gebruikt, opdat beslissingen kunnen worden uitgesteld, ligt dat aan de politiek.