Vernieuwing van partij zal mislukken zonder opening naar D'66 en Groen Links; PvdA moet over eigen schaduw heenspringen

Eén mei 1993 zal nog lang worden herinnerd als de dag dat de voormalige socialistische premier van Italië, Bettino Craxi met lires werd bekogeld. Het zal de dag blijven dat de socialistische kandidaat voor het kanselierschap in Duitsland, Björn Engholm, toegaf het parlement te hebben voorgelogen en zijn aftreden min of meer aankondigde. Tenslotte, zal deze dag van de arbeid vooral in het teken blijven staan van de zelfmoord van de onlangs verslagen socialistische premier van Frankrijk, Pierre Bérégovoy, die in verband was gebracht met een geval van corruptie. Zelfs voor de eerste mei is dat wat veel symboliek ineens.

De sociaal-democratische partijen in landen als Duitsland, Engeland, Zweden, België en ook Nederland verkeren al langer in de problemen. Vanaf het einde van de jaren zeventig hebben ze niet of slechts kort en moeizaam geregeerd. Langzaam maar zeker werden ze tussen twee tegenstrevers gemangeld: de neo-conservatieve kritiek op de verzorgingsstaat en de groene kritiek op het economische vooruitgangsdenken. Onzeker laverend hebben deze partijen zich proberen te vernieuwen.

De recente geschiedenis van de PvdA bewijst wel dat zo'n "partijvernieuwing' een hachelijke affaire is. Een tijd lang fungeert de aankondiging van verandering als een afweermiddel tegen de kritiek: "ziet U niet, we zijn bezig met een verbouwing?' Maar wie alweer sinds 1986 bezig is met zelfonderzoek, en bij monde van vice-voorzitter Ruud Vreeman in Vrij Nederland monter aankondigt dat dit nog wel eens drie jaar kan gaan duren, vraagt teveel geduld. Tien jaar voordeel van de twijfel wordt niemand gegund, ook de Partij van de Arbeid niet. Iets soortgelijks geldt voor de SPD en Labour.

Daar komt nog iets anders bij: de partij die zegt te vernieuwen, bestempelt zichzelf als een probleem, misschien wel "het' probleem. Zo wordt de blik naar binnen gericht, terwijl het doel nu juist is om de partij voor de buitenwereld te openen. De standpunten van de PvdA maken te vaak een omweg via een polemiek met het eigen verleden. Als bijvoorbeeld iets wordt gezegd over fraudebestrijding, dan is de eerste gedachte die bij velen opkomt: hier spreekt schuldgevoel over "vroeger'.

Na zeven jaren van halve vernieuwing is de PvdA er niet in geslaagd een stabiele verhouding tot haar eigen geschiedenis te vinden en die onzekerheid voelt de kiezer op een kilometer afstand. De poging om binnen de bestaande partijgrenzen de PvdA te veranderen schiet tekort. Dat mogen we nu toch wel concluderen.

Deze verwarring is geen toeval. Dahrendorf heeft gelijk met zijn observatie dat de verbinding van een democratische rechtsstaat en de verzorgingsstaat "in essentie verwezenlijkt is'. Met dit kunststuk van beschaving, hebben zijns inziens de sociaal-democratische partijen hun historische rol goeddeels vervuld en blijft er strikt genomen alleen een conserverende rol voor hen weggelegd.

De sociaal-democratie worstelt nu vooral met de onbedoelde gevolgen van de verzorgingsstaat. De uiteenlopende vormen van misbruik - variërend van ordinaire bijstand-fraude tot oneigenlijk gebruik van de WAO - knagen aan de fundamenten van de sociale zekerheid. De vraag is: kunnen de principes van de verzorgingsstaat verdedigd worden door ze te vrijwaren van een dergelijk misbruik of zijn deze beginselen zelf en niet alleen de uitvoering ervan in het geding? Dat laatste is niet overtuigend aangetoond, zolang het eerste niet is geprobeerd.

De verzorgingsstaat is altijd meer geweest dan een verzekeringspolis tegen de ongewilde gevolgen van ouderdom, ziekte en werkloosheid. De gedachte in socialistische kring, dat een harmonieuze samenleving van vrije en gelijke burgers door tussenkomst van de overheid bereikt kan worden, heeft echter een lelijke knauw gekregen. Het beeld van de berekenende burger is natuurlijk verschrikkelijk plat, maar vast staat dat een slordig beheer van de overheidsvoorzieningen zo'n houding heeft uitgelokt.

De Groningse psycholoog Willem Hofstee schreef in het april-nummer van Socialisme en Democratie: “De neiging de ambtenaar af te schilderen als een gemankeerde particulier, de collectieve sector als een steeds minder noodzakelijk kwaad, belangeloosheid als onbegrijpelijke donquichotterie, heeft diepe sporen getrokken in ons dagelijks leven”. De ondergang van het staatssocialisme in Oost-Europa heeft deze stemming onmiskenbaar verhevigd.

Maken we nu het einde mee van de "sociaal-democratische eeuw', zoals Dahrendorf deze periode bij wijze van een dodelijk compliment noemt? Dat is een compliment, want hij rekent op die manier heel veel toe aan de sociaal-democratie. En het is dodelijk, want na lange tijd een sterk stempel op de Europese geschiedenis te hebben gedrukt, is de sociaal-democratie in Dahrendorfs visie nu uitgeput. Zijn slotsom: “... ons vertrouwde op de oude klassenstrijd gebaseerde partijenstelsel blijkt een gelegenheidsoplossing te zijn geworden”.

Er staat veel op het spel, want de lotgevallen van de partijen van Craxi, Engholm, Mitterrand en Kok onthullen iets wezenlijks van de problemen die onze politieke democratie te wachten staan. Daarom is het van belang om vooruit te blijven denken en niet verlamd de electorale afstraffing tegemoet te gaan. Van één ding kan men zeker zijn: een vacante sokkel blijft nooit lang onbezet.

De meeste critici van de PvdA proberen zich niet voor te stellen wat er gebeurt wanneer de sociaal-democratie als traditie verdwijnt. Anders gezegd: ze vragen zich niet af in welke mate de sociaal-democratische gezindheid tot het morele fundament van onze democratie is gaan behoren. Hans Ree maakte wel zo'n gedachtensprong en voorzag een samenleving waarin “een oorlog van allen tegen allen” woedt, als “het onvermijdelijke gevolg van de ontmythologisering van de politiek” (NRC Handelsblad, 18 april). Na Kok de natuurstaat van Hobbes? Dat is natuurlijk overdreven, maar de zichtbare hand van een "sociaal-democratische' overheid heeft veel opgeleverd dat het verdedigen waard is, al was het maar de tamelijk betrouwbare ambtenarij die ons land kent.

Dat alles neemt niet weg dat een partij die vooral het beheer van haar traditie tot doel heeft onherroepelijk aan belang zal inboeten. Niet omdat hetgeen ze opgebouwd heeft, waardeloos is geworden. Het probleem is dat een beweging die altijd een vooruitgangsideaal heeft gekoesterd niet kan leven van zo'n conservatieve doelstelling. Bovendien kan de verdediging van de sociale verzekeringsgedachte, alleen maar succesvol zijn als deze in verband wordt gebracht met de vragen van deze tijd.

Slechts door over haar eigen, steeds smallere schaduw heen te springen, kan de PvdA het sociaaldemocratische erfgoed levend houden. Hoe uit de nood een deugd te maken, daar gaat het nu om. Vergelijk het met de oprichting van de PvdA in 1946. Zonder deze nieuwe partij zou er minder van de SDAP-traditie in het naoorlogse Nederland zijn overgebleven. Ook nu is een hervorming van de PvdA alleen kansrijk als deze vooruit loopt op een doorbreking van de bestaande politieke scheidslijnen.

Is het nadenken over zoiets als een ontzuilde hervormingspartij, waarin de PvdA op den duur zou kunnen opgaan, een vorm van zelfverloochening? Heeft niet juist de eindeloze worsteling met het eigen verleden geleid van polarisatie tot aanpassing, zonder een duidelijke opvatting over wat nu nog de meerwaarde van de PvdA is? Aan een door schuldgevoel geplaagde partij ontleent niemand rechtszekerheid, zelfs niet als het om de gedachte gaat dat mensen boven de achttien volwassen zijn. De PvdA moet zichzelf niet wegcijferen, maar bijdragen tot het ontstaan van een nieuwe politieke ruimte, waarin haar traditie onbevangener kan worden gewogen.

Michel Rocard kwam midden februari met het plan om de zieltogende Parti Socialiste op te laten gaan in een breed opgezet federatief verband, waarin ook centrumlinkse politici, milieu-bewegers, vernieuwers in de marge van de communistische partij hun plaats zouden moeten krijgen. Over de manier waarop hij deze big bang momenteel aan zijn partij probeert te slijten, zwijgen we maar even.

Toch is zijn gedachte in beginsel juist. Naast het klassieke, sociaal-democratische vraagstuk van een rechtvaardige verdeling, zijn er andere problemen opgedoken die ten minste even belangrijk zijn. Dan gaat het vooral om de milieucrisis, die dwingt tot een andere opvatting over economische groei en consumptie. Maar ook gaat het om de wezenlijke vraag: hoe een open samenleving te handhaven in een grenzeloze wereld. Daarbij is de omgang met immigratie, maar ook met criminaliteit in het geding.

Is een combinatie van partijen denkbaar die duurzaamheid, openheid en rechtvaardigheid tot de kern van een nieuw politiek alfabet maakt? En, zouden politici die zich op zo'n gedachtengoed beroepen tot "de helden van de terugtocht' (Enzensberger) kunnen worden zonder in een heimwee naar de wederopbouw te verzanden?

Milieubehoud, culturele dynamiek en spreiding van welvaart, hebben alles met elkaar te maken. De herinrichting van de verzorgingsstaat verwijst naar de noodzaak van consumptieve zelfbeperking en het einde van ongeremde groei. Hoe kan voorkomen worden dat de roep om sociale rechtvaardigheid een steeds verder opgeschroefde consumptie en dus milieubederf met zich meebrengt? En, hoe kan worden voorkomen dat aanhoudende begrotingsdiscipline bijdraagt aan de vorming van een nieuwe onderklasse en een verslonzing van sociale grondrechten?

Tegelijkertijd moet duidelijk worden gemaakt dat economische soberheid niet hetzelfde is als culturele dwang of karigheid. Hoe kan voorkomen worden dat de zorg voor het milieu ontaardt in bedilzucht? En hoe kan voorkomen worden dat krimpende koopkracht hand in hand gaat met krimpende tolerantie tegenover alles wat afwijkt? Helaas is dat laatste wel het geval als we afgaan op de boterham belegd met tevredenheid en kampementen die Lubbers ons voorhoudt.

Nieuwe partijpolitieke combinaties, vergelijkbaar met 1946 toen de PvdA als Doorbraakpartij het licht zag, zijn nodig. Voor de PvdA zou een vorm van intensieve samenwerking met de beide andere hervormingsgezinde partijen die Nederland rijk is een terugkeer naar haar oorspronkelijke inspiratie betekenen. Is zij niet opgericht uit drie stromingen: de vrijzinnig democraten met hun aandacht voor recht en democratie, de doorbraak-christenen met hun kritiek op een consumptieve samenleving en tenslotte de socialisten met hun zorg voor een rechtvaardige verdeling.

De problemen die op ons afkomen doen de bestaande partijgrenzen ter linkerzijde vervagen. Het ligt in de aard van D66 en Groen Links om genteresseerd te zijn in zo'n samenwerking, die wellicht op termijn tot anderssoortige partijen kan leiden. Dat deze partijen daarover voor de verkiezingen niet hardop willen nadenken, is begrijpelijk en toch ook weer niet. Het vooruitlopen op samenwerking heeft namelijk gevolgen voor de onderlinge verhoudingen in het verkiezingsjaar.

Waarom zouden deze partijen niet bij wijze van experiment met één lijst aan de Europese verkiezingen van 1994 meedoen? Het zou deze verkiezingen op slag een stuk interessanter maken, al was het maar dat op die manier iets gedaan kan worden aan de verpletterende desinteresse van de kiezer, die niet kleiner zal worden na twee eerdere verkiezingen in hetzelfde voorjaar. De minimale voorwaarde van dergelijke vormen van samenwerking is dat D66 niet zo moeizaam reageert op kritiek, wat zo in tegenspraak is met de beleden openheid van deze partij.

De partijpolitieke en programmatische driehoek die hier is getrokken, onderscheidt zich duidelijk van de politieke ruimte die door VVD en CDA in beslag wordt genomen. D66 geeft echter voorrang aan een paarse coalitie en manoeuvreert zich zo in een middenpositie tussen VVD en PvdA, die niet wezenlijk verschilt van de huidige plaats die het CDA inneemt. Aan D66 mag worden gevraagd of ze eenzelfde afstand heeft tot de VVD en PvdA of dat ze zich het meest verwant voelt met de PvdA.

Bij het zwijgen daarover kan men zich wel wat voorstellen, al was het maar omdat de democraten weinig hoffelijk door de PvdA zijn behandeld. Bovendien zal de wedervraag van hun kant zijn: over welke PvdA heeft u het eigenlijk? Het antwoord is: de uitkomst van de huidige worsteling in de sociaal-democratie, hangt mede af van de houding van D66.

Hoe de kiezersgunst ook precies zal uitvallen, beide partijen zijn op elkaar aangewezen in een nieuwe regering. Precies omdat ze iets gemeenschappelijks hebben en samen een meerderheidspositie in een kabinet zouden bekleden, wilde het CDA al in een zeer vroeg stadium D66 uitsluiten van regeringsdeelname.

De PvdA maakt in haar omgang met D66 dezelfde fout als destijds met het CDA in oprichting. Eigenlijk vindt men dat deze partij er niet hoort te zijn en al helemaal niet als een gelijkwaardige partij. Eigenlijk wordt het succes van deze partij enkel aan eigen fouten geweten, hetgeen toch van een zonderlinge hoogmoed getuigt. Wanneer dan eindelijk de nieuwe verhoudingen worden erkend, geldt dat enkel de machtspositie en niet het gedachtengoed van de andere partij. In de PvdA wordt heel wat gesmaald over de vaagheden van D66, net zoals men lange tijd lacherig oordeelde over de denkbeelden van het CDA.

De PvdA gelooft heimelijk in een politieke tweedeling, waarbij de tegenstelling tussen liberalisme en sociaal-democratie (lees die tussen Kapitaal en Arbeid) de enige "echte' is. In liberale kring deelt men die houding. Dat de politieke realiteit van Nederland zich meer en meer op een andere "as' afspeelt - namelijk die van CDA en D66 - ontgaat de PvdA te enen male. Uiteindelijk gaat het om de vraag of de PvdA en D66 erin slagen een verband te leggen tussen de sociaal-economische en sociaal-culturele tegenstellingen in Nederland en zo een nieuwe politieke ruimte te scheppen.

Zonder een soort big bang of "ontploffing' op het Binnenhof is geen politieke verschuiving ten nadele van het CDA mogelijk en dus geen politieke en bestuurlijke hervorming in Nederland. Wie denkt dat een herziening van de verzorgingsstaat en onze consumptieve routine mogelijk is met de bestaande stijl van besturen heeft het mis. De zwakte van het politieke bestel en de woekering van belangengroepen rondom de overheid zijn onoverkomelijke obstakels voor zo'n programma. Kijk naar het mestakkoord, waarbij de landbouwlobby van het CDA een effectiever milieu-beleid frustreert of naar het WAO-debâcle dat toch allereerst een aanklacht van jewelste is tegen de overleg-economie.

Zonder politieke hervorming, waarbij ook elementen van directe democratie - zoals een bindend referendum - worden gentroduceerd, komen we niet ver. Het pleidooi voor samenwerking in hervormingsgezinde kring betekent dus allerminst een aanvaarding van de bestaande "partijenstaat'. Een programma dat consumptieve zelfbeperking van de burgers vraagt moet hand in hand gaan met politieke zelfbeperking van de partijen.

Samenwerking van D66, PvdA en Groen Links is een methode, waarvan het onzeker is of het wat zal opleveren. Maar ondertussen is wel duidelijk dat een vernieuwing in de PvdA die niet in het teken staat van zo'n opening zal mislukken. PvdA-senator Van den Berg heeft dan ook geen gelijk als hij zich bekent tot zo'n idee over samenwerking, maar toevoegt daar alleen iets in te zien “nadat de PvdA zichzelf grondig heeft aangepakt en weet wat zij wil” (De Volkskrant, 29 mei). De PvdA weet pas wat zij wil, als ze over partijpolitieke hervorming in Nederland een helder standpunt heeft.

In 1989 is de wereld uit haar voegen getild. Om de historische dimensie daarvan aan te geven gebruikte Havel onlangs de gelukkige vergelijking met de val van het Romeinse Rijk. Heel veel staat op losse schroeven en tastend zoekt men zijn weg. In deze verwarring deelt iedereen: regering en oppositie, kiezers en gekozenen. Dat mogen we ons voor ogen houden bij alle kritiek op de PvdA. Er is sinds dit kabinet begon wel iets veranderd in de wereld!

Deze regering telt haar zegeningen niet. Ondanks alle terechte kritiek op sommige voorstellen zijn er geen alternatieven gepresenteerd voor de financiële dwang waaronder zij zichzelf stelt. Door echter voortdurend te verwijzen naar het financieringstekort, wekt de PvdA nu de indruk tegen heug en meug te regeren. Dat beroep op overmacht is dodelijk; burgemeesters in oorlogstijd kunnen terecht op weinig sympathie rekenen.

Los van deze noodzaak te bezuinigen is er ook zoveel meer te zeggen. De uitzonderlijke periode van vijfenveertig jaar aaneengesloten welvaartsstijging en vrede is teneinde. Onzekere vragen doemen op met als gemeenschappelijke noemer: hoe te voorkomen dat we stikken in een welvaartskazerne? Velen realiseren zich dat een kleine en open natie als Nederland kwetsbaar is en zijn vatbaar voor een appèl op collectieve doelstellingen en een strikt beleid van consumptieve matiging.

Een evenredige welvaartsbeperking - waarbij sommigen meer ontzien worden dan anderen, maar niemand helemaal - kan worden afgeleid uit de urgentie van milieubehoud, de wederopbouw van Oost-Europa, de opvang van vluchtelingen en de houdbaarheid van de sociale zekerheid. Een partij of combinatie van partijen die dergelijke gedachten tot uitgangspunt neemt, leeft van meer dan alleen een slecht geweten. Zelfs op de eerste mei.