Vakbeweging in Kenia lijkt zich los te maken van "toneel-verleden'

Politieke en economische liberalisering grijpt in tal van landen om zich heen. Leidt dat ook tot meer vrijheid voor de vakbeweging? Het vijfde deel van een serie.

NAIROBI, 2 JUNI. Joseph Jolly Mugalla, secretaris-generaal van de Keniase vakcentrale Cotu, leek als door de bliksem getroffen toen hij op 1 mei een menigte arbeiders in Nairobi toesprak. De conservatieve, ingeslapen Mugalla ontpopte zich tot ieders verbazing plotseling als een radicale vakbondsleider. Mugalla, die het aanzien heeft van een poedel zonder tanden, grauwde als een gevaarlijke bulldog naar regering en werkgevers. Hoewel zijn beschermheer president Moi eerder Cotu's oproep tot een nationale staking illegaal had verklaard, herhaalde Mugalla de oproep tot staking. Hij voegde daar aan toe dat er al oude autobanden werden ingezameld om verraders straks in brand te steken. De Kenianen stonden perplex.

De algemene staking - de eerste in de Keniase geschiedenis - werd een verdeeld succes. Na een geslaagde start op 3 mei ging de staking na twee dagen als een nachtkaars uit. De arrestatie van Mugalla en andere vakbondsleiders had Cotu opgebroken. De vakcentrale bleek aan de basis niet over het apparaat te beschikken om de arbeiders te inspireren en mobiliseren. Tot veel meer dan het oproepen tot een staking bleek Cotu niet in staat. De Keniase traditie waarbij vakbond en regering partners zijn, had het onmogelijk gemaakt voor Cotu een militante rol te vervullen.

Om de economische ontwikkeling van het arme Kenia niet te hinderen, spraken regering, vakbond en werknemers na de onafhankelijkheid af elk meningsverschil eerst te bespreken en voor te leggen aan een speciale industriële rechtbank. De minister van arbeid kan in vrijwel alle instanties een aangekondigde staking illegaal verklaren. De wetgeving rond de arbeidsrelaties creëerde zo industriële vrede en een tamme vakbond. Van veel verzet tegen de restricties op de vakbondsactiviteiten was geen sprake. Het aantal arbeiders in loondienst was nog klein en een betaalde baan werd als een privilege ervaren.

Toen Mugalla in 1987 aan het hoofd van Cotu kwam te staan, ging de vakcentrale nog meer aan de leiband van de regering lopen. De Cotu-secretaris-generaal ging akkoord toen de regeringspartij Kanu de vakcentrale wilde opnemen in eigen gelederen (de druk vóór invoering van het meerpartijenstelsel maakte voortijdig een einde aan deze plannen). Dissidenten in Cotu, gerriteerd door Mugalla's matte opstelling, poogden vervolgens een alternatieve vakcentrale op te richten, die onmiddellijk door de regering werd verboden.

Aan de vooravond van de 1 mei-vieringen spraken Cotu en regering gewoonlijk achter gesloten deuren af hoeveel loonsverhoging er dat jaar zou mogen plaatsvinden. Mugalla voerde dan op de viering als eerste het woord en vroeg om een bescheiden loonsverhoging, gevolgd door president Moi die de looneisen prompt inwilligde. Moi en Mugalla prezen elkaar en de arbeider ging naar huis met het gevoel tijdens de viering een ingestudeerd toneelstuk te hebben aanschouwd.

Hoe anders was het tijdens de afgelopen 1 mei-viering. President Moi was niet komen opdagen als gevolg van de (illegale) stakingsoproep van Cotu. Rumoerige arbeiders maakten minister van arbeid Philip Masinde het spreken onmogelijk, waarna deze boos wegliep. Cotu eiste een loonsverhoging van 100 procent, een eis die algemeen onhaalbaar wordt geacht, en het ontslag van vice-president George Saitoti. “Hoe kan een arbeider met een maandsalaris van 50 gulden rondkomen?”, schreeuwde Mugalla. “Hoe kan hij zijn huur, voedsel, transport en schoolgeld daarvan betalen?” Moi was niet onder de indruk van Mugalla's veranderde opstelling. Vanuit zijn presidentiële paleis liet hij weten dat Mugalla een crimineel is die alleen dankzij Moi's "grootmoedigheid' leider van Cotu had kunnen worden.

Het is onduidelijk of Cotu's nieuwe politiek een gevolg is van de steeds meer schrijnende economische crisis, de invoering van het meerpartijenstelsel of werd ingegeven door opportunistische politieke motieven. Volgens boze tongen zou Mugalla zich laten gebruiken door een groep ambitieuze politici van zijn Luyha-stam die vice-president Saitoti wil wippen en vervangen door een Luyha-politicus. Bovendien zou menig werkgever, evenals sommige politici in de regering, de algemene staking niet slecht uitgekomen. Het gaf hen de gelegenheid om arbeiders te ontslaan zonder compensatie. Door de slechte economische situatie in Kenia wil menig werkgever zijn arbeidersbestand uitdunnen.

De staking houdt een radicale breuk in met het verleden van de vakcentrale. Of op korte termijn sprake zal zijn van een "herboren' vakbond, lijkt twijfelachtig. De vakbondsleiders werden opgeleid tijdens de periode van het éénpartijstelsel, ze leerden bovenal trouw te zijn aan het gezag. Ze zijn niet bedreven in het onderhandelen of afdwingen van eisen. En het ontbreekt de arbeiders aan elk vertrouwen in de vakbondsleiding.

Bovendien leidde de invoering van het pluralisme ruim een jaar geleden nog niet tot afschaffing van rigide wetten die de arbeidsrelaties regelen. De president mag bijvoorbeeld zijn veto uitspreken over de benoeming van vakbondsleiders, Cotu mag niet lid worden van internationale vakcentrales en de minister van arbeid kan vakbonden ontbinden. De oppositie-partijen in het parlement, die geen actieve steun aan Cotu's stakingsoproep geven, beschikken over onvoldoende zetels om deze wetgeving te veranderen. Zonder het schrappen van deze wetten echter zullen de vakbonden zich nauwelijks kunnen ontwikkelen tot sterke organisaties, die de belangen behartigen van een groeiende en steeds wanhopiger arbeidersklasse.

    • Koert Lindijer