Staatssecretaris Van Rooy: meer industrieprodukten; "Exportpakket versterken'

ROTTERDAM, 2 JUNI. De samenstelling van het Nederlandse exportpakket sluit niet aan bij de vraag uit het buitenland. Nederland heeft op termijn niet zo'n goede exportpositie omdat de industrieprodukten in het exportpakket ondervertegenwoordigd zijn. Het Nederlandse bedrijfsleven moet zich meer op de uitvoer van industrieprodukten richten.

Dit zei staatssecretaris mr. Y.C.M.T. van Rooy van Economische Zaken gisteren bij de halfjaarlijkse Exportborrel van de Economische Voorlichtingsdienst. Zij presenteerde daar de resultaten van een studie door het Centraal Plan Bureau (CPB) naar de Nederlandse export in de periode 1980-1992. Het rapport wordt volgende week naar de Tweede Kamer gestuurd. Het CPB verrichtte het onderzoek in opdracht van Van Rooy die zich zorgen maakte over het teruglopende aandeel van Nederland op de Duitse markt. Duitsland is goed voor bijna dertig procent van de Nederlandse export.

Het Nederlandse aandeel in de wereldhandel is in de jaren tachtig niet afgenomen, zo blijkt uit het onderzoek. “Een prestatie van formaat”, aldus Van Rooy. Nederland verloor echter wel marktaandeel op de nabijgelegen Franse, Duitse en Belgische markten, maar dit verlies werd gecompenseerd door groei van de uitvoer naar andere EG-lidstaten. Per saldo steeg de uitvoer naar EG-landen. Nederland verloor eveneens markaandeel op snelgroeiende markten in Azië.

De totale export (exclusief energie) steeg vorig jaar met 2,5 procent. Dit jaar verwacht Van Rooy een stijging van slechts 1 procent als gevolg van de kwakkelende internationale conjunctuur. De harde gulden in combinatie met toenemende (prijs)concurrentie uit Oost-Europa en Zuidoost-Azië belemmeren eveneens de groei.

Het lukte Nederland niet het marktaandeel in Duitsland, de belangrijkste exportmarkt, te handhaven. Sinds de eenwording is het aandeel van Nederland in de Duitse invoer scherp gedaald tot een dieptepunt van 8,6 procent in 1991. Vorig jaar is het marktaandeel weer iets gestegen tot 8,7 procent.

Volgens het CPB wordt driekwart van het verlies verklaard door de samenstelling van het Nederlands uitvoerpakket. Direct na de Duitse hereniging steeg de vraag naar traditionele landbouwprodukten sterk, terwijl daarna de vraag naar industriële produkten sterk toenam. Volgens Van Rooy is Nederland juist sterk op markten (energie en voedingsmiddelen) waarvoor de groeivooruitzichten niet zo rooskleurig zijn, terwijl Nederland een minder goede positie heeft op de snelgroeiende markt voor industrieprodukten. Van Rooy denkt dat de samenstelling van het uitvoerpakket, nu de conjunctuur tegenzit, een voordeel is.

“Het Nederlandse uitvoerpakket is minder conjunctuurgevoelig door het grote aandeel van landbouw- en energieprodukten. Bij een daling van de Duitse invoer werkt dat positief uit. De verwachting is dat dit zich zal voortzetten”, aldus Van Rooy.

Prof. dr. C.W.A.M. van Paridon, stafmedewerker van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en bijzonder hoogleraar Duitse economie, merkt op dat deze veronderstelling nog niet is terug te vinden in de cijfers. Vanwege het opheffen van de EG-binnengrenzen heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek nog geen gegevens over de Duits-Nederlandse handel de eerste maanden van dit jaar.