Nederland zinkt aarzelend weg in ondiepe recessie

ROTTERDAM, 2 JUNI. Langzaam maar zeker daalt de recessie over Nederland neer. “We moeten ervoor waken dat er geen nationaal gevoel van depressie over Nederland komt, waardoor we een recessie uitlokken”, zei voorzitter J. Kamminga van het KNOV (midden- en kleinbedrijf) gisteren. Minister Kok (financiën) liet zich in vergelijkbare bewoordingen uit.

Beiden kunnen er echter niet langer omheen nu ook de OESO, de organisatie van 24 industrielanden, haar prognoses voor Europa andermaal naar beneden heeft moeten bijstellen. Verwacht wordt nu dat het bruto binnenlands produkt (BBP) van de Europese OESO-landen dit jaar met 0,3 procent afneemt. In december werd nog een groei van 1,2 procent voorspeld. In zijn laatste voorspelling (maart) kwam het Centraal Planbureau voor Nederland over heel 1993 nog tot 0,5 procent groei, maar verwacht mag worden dat dit cijfer bij de eerstvolgende bijstelling rood kleurt.

Bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) aarzelt men nog van een recessie in Nederland te spreken. Want het hangt er maar van af welke definitie je kiest. Een gangbare luidt dat van recessie sprake is als het BBP in twee opeenvolgende kwartalen krimpt. In het eerste kwartaal van dit jaar daalde het BBP ten opzichte van het vierde kwartaal vorig jaar met 0,6 procent. En in dat vierde kwartaal was het 0,1 procent minder dan in het derde kwartaal. Punt is echter dat deze laatste afname "binnen de betrouwbaarheidsmarge valt', zoals statistici zeggen. Dat betekent dat de mutatie zo gering is dat ze er geen conclusies aan kunnen verbinden.

Het lopende kwartaal zal (bij deze definitie) uitsluitsel geven. En wat dat betreft, staan alle seinen op rood: de werkloosheid stijgt snel (het officiële cijfer nadert met rasse schreden de 400.000 werklozen), de gezinsconsumptie daalt (voor het eerst sinds het vierde kwartaal 1982), de ontevredenheid bij bedrijven over hun orderpositie neemt toe, het consumentenvertrouwen loopt terug, het aantal faillissementen klimt naar een hoog niveau en het bruto binnenlands produkt daalt.

De laatste indicator lag in het eerste kwartaal in volume 0,6 procent onder het niveau van begin 1992. Het was voor het eerst sinds begin jaren '80 dat het BBP-volume zo sterk daalde ten opzichte van een voorgaand jaar. Maar dat lijkt dramatischer dan het is, want het eerste kwartaal van vorig jaar telde een dag extra wegens het schrikkeljaar. Zo'n schrikkeldag kan niet alleen leiden tot een extra werkdag, maar dat komt wel vaker voor doordat ook in niet-schrikkeljaren weekeinden en feestdagen anders vallen dan een jaar eerder. In ieder geval leidt een schrikkeljaar tot een extra kalenderdag, wat met name voor de volcontinu-bedrijven uitmaakt. Een gewone extra werkdag scheelt volgens het CBS 0,6 procent in het BBP. Het effect van een schrikkeldag wordt op 1,0 procent geraamd. Wordt dat verdisconteerd, dan lag het BBP begin dit jaar dus nog 0,4 procent boven begin vorig jaar.

CBS-medewerker drs. P.C. Oomens, die de kwartaalcijfers van de Nederlandse economie nauwlettend volgt, zegt dat de huidige situatie in de Nederlandse economie in ernst lijkt op de jaren 1981/1982 en in aard op de jaren 1973/1974, de eerste oliecrisis. “Tijdens de oliecrisis had vrij plotseling een enorme inkomensoverdracht plaats naar de olielanden. Iets dergelijks is nu in Duitsland aan de hand. West-Duitsland steekt jaarlijks 150 miljard DM in de opbouw van Oost-Duitsland. Dat komt overeen met ongeveer 5 procent van het Westduitse binnenlandse produkt. Ruwweg kun je zeggen dat elke Westduitser deze jaren 2.500 DM per jaar betaalt om elke Oostduitser aan 10.000 DM te helpen. Dat leidt in het westen van het land tot een geweldige vraaguitval, waarvan de rekening nog niet is betaald. De belastingen zullen daar dus nog stijgen, waardoor ook de vraaguitval nog zal oplopen. Voordat de Westduitse industrie van die inkomensoverdracht profiteert zijn we wel een jaar of drie, vier verder.”

Als het in de Westduitse economie regent dan druppelt het een kwartaal later in Nederland, zegt Oomens over de Nederlandse afhankelijkheid van de Duitse ontwikkelingen. “En in Duitsland stortregent het nu. Dus merken wij dat ook, maar niet in die mate als in Duitsland.” De Duitse minister Waigel (financiën) sprak vorige week van de “ernstigste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog”. Volgens de OESO krimpt de Duitse economie dit jaar met 1,9 procent.

CBS'er Oomens noemt drie “positieve binnenlandse factoren” die ertoe leiden dat er voor Nederland weliswaar op korte termijn weinig verbetering is te verwachten, maar die wel voor een structureel tamelijk gezond grondpatroon zorgen: de loonontwikkeling is gematigd, de inflatie daalt (in tegenstelling tot de eerste oliecrisis) en de rente daalt (eveneens in tegenstelling tot de jaren 1973/1974). Het omslagpunt voor de Nederlandse economie projecteert hij in het laatste kwartaal van dit jaar.

    • Joop Meijnen