Grondleggers van het vaderlands bedrijfsleven

De Aartsvaders, grondleggers van het Nederlandse bedrijfsleven; Wim Wennekes; Uitgeverij: Atlas, 1993; 79,90 gulden; ISBN: 90 254 0315 8

Voor een appel en een ei kocht boterboer Anton Jurgens uit het Brabantse Oss het procédé van margarine van de Franse scheikundige Mège Moeriès (“Jezus Christus was een groot genie dat hij water in wijn kon veranderen, maar ik kan van vet boter maken”). Jurgens was zo trots op zijn nieuwe produkt dat hij op een avond ging pochen bij zijn grootste concurrent, de boter- en veehandelaar Simon van den Bergh. Van den Bergh wist het recept van Jurgens te bemachtigen - een nimmer opgehelderd raadsel - en in 1871 waren er twee margarinefabrieken in Oss. Dat was het begin van de geschiedenis van Blue Band, Magnum-ijsjes, Iglo-vissticks en Unox-rookworsten. Jurgens en Van den Bergh zijn twee van de zestien Nederlandse ondernemers die zijn geportretteerd in het boek De Aartsvaders van journalist Wim Wennekes.

Wie waren Petrus Regout, Jacques van Marken en Ko Vis? De grondleggers van De Sphinx, Gist-brocades en Akzo zijn met het opmaken van hun laatste verlies- en winstrekening in het bedrijfsarchief bijgezet. In Nederland is alleen de historie van de "Heeren zeventien' nauwgezet beschreven en behalve voor de Veerenigde Oostindische Compagnie (VOC) is er in Nederland geen belangstelling voor de geschiedenis van het bedrijfsleven.

In zijn magnum opus blaast Wennekes het stof van de bedrijfsarchieven. In bijna zeshonderd pagina's wordt meeslepend de ontstaangeschiedenis van dertien bedrijven beschreven, samen goed voor een omzet van ongeveer 840 miljard gulden en werkgelegenheid voor 957.000 mensen (cijfers 1991).

Twaalf jaar geleden begon Wennekes zijn speurtocht in de bedrijfsarchieven. In 1989 resulteerde dit in het boek Eeuwenoud. Hierin werden zeven - in NRC Handelsblad gepubliceerde - eeuwenoude "huizen van negotie' en "fabriquers' geportretteerd; zoals Van Lanschot, Bols en Douwe Egberts.

De aartsvaders is een uitbreiding van de portrettengalerij. Wennekes koos voor de grondleggers van de grootste nog bestaande Nederlandse ondernemingen. Entrepreneurs die niet alleen hun eigen zaak hebben groot gemaakt, maar een bredere bijdrage leverden aan de Nederlandse economie, bij voorbeeld als financier/oprichter van andere ondernemingen. C&A, Heineken, en Van Leer zijn naar de maatstaven van Wennekes geen aartvaarders, want ze waren te eenzijdig bezig met respectievelijk kleding, bier en vaten.

Wennekes laat zijn verhaal beginnen in het midden van de negentiende eeuw. In 1841 publiceerde E.J. Potgieter het verhaal "Jan, Jannetje en hun jongste kind'. Genadeloos geeft Potgieter met zijn "Jan Salie' weer waar het destijds in Nederland aan ontbrak: ondernemingsgeest. De basis voor het reveil van de ondernemingsgeest in de negentiende eeuw ligt bij Koning Willem I (1772-1843). Met de komst van - toen nog - de Prins van Oranje op het strand van Scheveningen (1813) begon een nieuw episode in de vaderlandse geschiedenis.

In ballingschap had de prins in Engeland de ingrijpende gevolgen van de industriële revolutie aanschouwd. En toen Koning Willem I in 1814 de troon besteeg, maakte hij zich ernstig zorgen over de "oeconomische' toestand in zijn koninkrijk. Hij wekte zijn landgenoten op tot industriële activiteiten, maar alleen in de Zuidelijke Nederlanden vond hij gehoor. In 1839 scheidde België zich af en ging de Zuidnederlandse fabrieksnijverheid voor het Koninkrijk der Nederlanden verloren.

Om de industriële activiteiten te stimuleren richtte Willem I in 1824 de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM; de voorloper van de ABN) op, een moderne versie van de VOC. De hoop van de koning dat de NHM als hefboom van de nationale welvaart zou dienen werd werkelijkheid doordat de NHM "katoentjes' naar Nederlands-Indië ging exporteren. De Twentse textiel kwam als eerste volwaardige Noordnederlandse industrietak van de grond.

De NHM stimuleerde de scheepsbouw en de oprichting van rederijen. De koophandel kwam weer tot leven, maar in de industrie werd geen voortgang geboekt doordat kapitaalbezitters huiverig bleven voor deze vorm van ondernemen. Het calvinisme zette een behoudend stempel op de maatschappij en het economisch leven.

Tot de tweede helft van negentiende eeuw stonden in Nederland maar twee aartsvaders op: Petrus Regout en Willem A. Scholten. De grondleggers van respectievelijk aardewerfabriek De Sphinx en het aardappelzetmeelconcern Avebe maakten zich nieuwe technieken eigen, exploreerden buitenlandse markten en bouwden - geholpen door familiekapitaal - de ene fabriek na de andere. “Mijn zoon, wij zullen vijfentwintig fabrieken bouwen”, zei Scholten, 's wereld eerste agro-industrieel. Het werden er vierentwintig.

Wennekes kroont Petrus Regout (1801-1878) tot de eerste Nederlandse grootindustrieel, hoewel deze zich op de eerste plaats koopman bleef voelen en zich als zodanig gedroeg. Tot zijn drieëndertigste jaar leefde Regout van de handel in glas- en aardewerk. Het idee zelf te produceren kwam niet bij hem op. Wel installeerde hij in 1827 vier slijpstoelen in zijn huis in Maastricht voor de bewerking van ruw Belgisch glas. Dit atelier zou een bijkomstigheid zijn gebleven als vanaf 1830 geen wrijvingen waren ontstaan tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. De vijandigheden maakten een eind aan de invoer van Belgisch glas- en aardewerk. Regout werd gedwongen zelf te produceren.

Op een voormalig kloosterterrein, grenzend aan de op bevel van koning Willem I gegraven Zuid-Willemsvaart, kwam een glas- en kristalblazerij annex stoomslijperij voor de vervaardiging van water- en wijnglazen, peper- en zoutvaatjes, kandelaars en glazen stolpen. Op hetzelfde terrein bouwde Regout een fabriek voor volksaardewerk (fayence-commune), door latere generaties De Sphinx genoemd.

Met tweeduizend werknemers was Regout in 1866 veruit de grootste industriële werkgever in Nederland. Ondanks die verdienste verwierf hij zich een inktzwarte reputatie door zijn asociale beleid. In de glasblazerij van Regout maakten kinderen van negen tot vijftien jaar ruim de helft uit van het personeel. In de aardewerkfabriek vormden jongens en meisjes bijna een derde van het personeel.

Regout verzette zich tegen een eventueel verbod op de kinderarbeid en vroeg op voorhand ontheffing voor de glas- en kristablazerijen. In 1874 werde het "Kinderwetje van Van Houten' aangenomen, fabrieksarbeid onder de twaalf jaar werd verboden. Regout bleef jongere kinderen in dienst nemen en voerde het percentage kinderen in de leeftijd van twaalf tot vijftien jaar op.

Het verwijt dat het werk in zijn fabrieken ongezond was legde hij ook naast zich neer. Loodvergiftiging en stoflongen waren de meest voorkomende ziekten. Ter "bescherming' tegen loodvergiftiging kregen arbeiders in de meniefabriek meel met een beetje zwavelzuur te drinken. Gemiddeld werd de Regout-arbeider niet ouder dan dertig.

Zijn pleitbezorgers - waaronder de Maastrichtse hogere geestelijkheid - brachten als goede kanten naar voren dat Regout jarenlang strijd voerde tegen de lokale prostitutie. De sociale voorzieningen aan de fabrieken van Regout bestond uit gratis doktershulp en "onderstand' aan weduwen en wezen en uitkeringen van vijftig à zestig procent van het loon bij ziekte. Rondom nieuwe fabrieken moesten voor de werklieden huizen worden gebouwd met moestuintjes.

Het credo van Regout was “wie niet werkt heeft geen regt om te leven. En die geregelden arbeid versmaadt, vindt in de gevangenis geen beter lot, maar nog strenger tucht en zwaarder werk.” Want: “Arbeid is ook een middel tot verbetering van de zedelijkheid.”

Niet alle aartsvaders voerden in hun fabrieken een asociaal beleid. Jacques van Marken, grondlegger van Gist-brocades, zorgde voor behoorlijke werkomstandigheden, pensioen, winstdeling, een ondernemingsraad. Maar bovenaan het sociale verlanglijstje van Van Marken stond een model-arbeidersdorp. “Het behoort tot mijn geliefkoosde droombeelden, niet al te ver verwijderd van onze fabrieken een kolonie te zien verrijzen, een cité ouvrière, waar onze werklieden met hun gezinnen het loon van den arbeid in vriendelijke gezonde verblijven kunnen genieten om ook daardoor tot welvarende, betere burgers der maatschappij te worden opgevoed.”

Van Marken was een fervent bewonderaar van Multatuli en overwoog in zijn jonge jaren een "zwervend literator' te worden. Zijn vrouw Agneta Matthes, dochter van een Amsterdamse zee-assuradeur, riep hem bestraffend tot de orde nadat zij weer een liefdesgedicht had ontvangen. “Foei! Is dat nu technologentaal. Praat liever van mechanica en toegepaste natuurkunde.”

In 1867 studeerde Van Marken af als technoloog en besloot gist te gaan produceren nadat hij had gehoord dat Nederlandse bakkers dringend om goede gist verlegen zaten. Samen met zijn vrouw - een van de eerste Nederlandse feministen - stichtte hij in 1869 de Nederlandsche Gist- & Spiritusfabriek te Delft.

Ondanks zijn sociale beleid maakte Van Marken bijna niets dan vijanden. Vakbonden en links zag hem als een wolf in schaapkleren. Het sociale werk werd door Domela Nieuwenhuis beschouwd als “lapwerk” en een poging van “laaghartige en valsche volksvrienden” on door het aanbrengen van marginale verbeteringen het socialisme de wind uit de zeilen te nemen. Zijn collega-ondernemers en liberalen beschouwden hem als een dolgedraaide filantroop. Zelfs zijn commissarissen vonden begin twintigste eeuw dat hij niet langer kon worden gehandhaafd. Hij leed aan zenuwpijnen en raakte verslaafd aan opiaten. In 1906 stierf Van Marken gedesillusioneerd en uitgeput.

De dertien hoofdstukken houden niet op met de dood van de aartsvaders. Een naschrift zoekt bondig aansluiting bij de actualiteit. Het toevoegen ervan gebeurde op aandringen van het fonds voor bijzondere journalistieke projecten, dat subsidie verstrekte.

De aartsvaders waren volgens Wennekes “duivelskunstenaars: scheppers van commerciële kunstwerken: enerzijds romantisch en creatief - anderzijds oorzakelijk.” Veel meer dan hun tijdgenoten waren zij individualisten met een volsterkt eigen normen- en gedachtenstelsel. En voor levenslang "veroordeeld' tot hun bedrijf.

Op dit moment zijn managers minder bedrijfs- en organisatiegebonden. Philips-topman Timmer zou Shell ook kunnen leiden. Vakbondsleider Stekelenburg zou kunnen ruilen met werkgeversvoorzitter Rinnooy Kan. Wat ondernemers dreef was niet de honger naar macht, maar de kracht van nieuwe ideeën.

Het verhaal van Unilever, ontstaan na een fusie van de Margarine Unie (Van den bergh & Jurgens) met het Britse concern Lever Brothers Ltd., is het best gedocumenteerd. Unilever was het meest grootmoedig en behulpzaam bij de totstandkoming van het hoofdstuk, totdat men inzage kreeg in het concept ervan.

De familie Jurgens was streng katholiek met anti-semitische trekjes. Van den Bergh werd consequent geduid als “de Jood”. Na het vertrek van Sam van den Bergh nam Paul Rijkens het roer over. Tot schrik van zijn voorganger werd alle joden in de leiding van de Duitse bedrijven verzocht hun functie neer te leggen toen Adolf Hitler 1933 aan de macht kwam. Rijkens typeerde een persoonlijk gesprek met Hitler als “prettig” (... ) ik kan niets anders zeggen dan dat ik gemponeerd werd door Hitlers positieve en directe antwoorden.”

Het hoofd van de persdienst dreigde met juridische stappen om zo publikatie te verbieden. Het hoofd van de juridische afdeling concludeerde echter: “al zouden we het nog zo graag willen, we kunnen de geschiedenis niet veranderen”.