Gouden moeder gouden kind

Twee jaar geleden, toen Een gouden kind van Jean-Paul Franssens op het punt stond te verschijnen, vroeg de schrijver mij of ik bij de presentatie ervan enkele woorden zou willen spreken.

Ik kreeg de drukproeven van de roman, waarvan nu een herdruk in de Rainbow Editie verschijnt, en gaf mij na enkele bladzijden te hebben gelezen onvoorwaardelijk gewonnen. Een gouden kind is een reconstructie van de jeugd van de schrijver, een van de mogelijke reconstructies, want schrijven kan nooit iets anders zijn dan benadering of, als de sterren meehelpen, overvleugeling. De titel van de roman slaat op een uitspraak van de moeder in het verhaal. Zij zegt van haar zoon dat hij "een gouden kind' van haar is.

Mijn moeder heeft mij, bij mijn weten, nooit haar gouden kind genoemd, maar ik overdrijf niet wanneer ik zeg dat ik het wel degelijk van haar ben geweest. Zij was, op haar beurt, voor mij een gouden moeder, zoals de moeder van Jean-Paul Franssens ook voor hem ongetwijfeld een gouden moeder is geweest. Op de eerste bladzijde van zijn boek onthult hij al meteen dat zijn moeder schoenmaat 37 had. Met die oplettende constatering is hij mij een slag voor, want ik zou niet weten welke schoenmaat mijn moeder heeft gehad. Wel zag ik, toen ik dat detail las, in een schrijnende opwelling, heel duidelijk het schoenenpaar voor mij dat mijn moeder de laatste jaren van haar leven heeft gedragen. En als ik zou moeten schatten, schat ik dat ook zij hoogstwaarschijnlijk schoenmaat 37 heeft gehad.

Behalve dat de moeder van Jean-Paul Franssens en die van mij op een vèrstrekkende wijze van ons hebben gehouden, zijn zij ook uitzonderlijk bezorgd over ons geweest. Al in onze jeugd hebben zowel Jean-Paul als ik, en onze moeders met ons, onze dood onder ogen moeten zien. Jean-Paul leed in zijn jonge jaren aan een ondraaglijke hoofdpijn, zag op de ongelegenste ogenblikken dubbel en viel, om onverklaarbare redenen, nu en dan van zijn stokje, zodat hij in het ziekenhuis moest worden opgenomen, waar de neurochirurg gaten in zijn schedel boorde, om in zijn hersenen te kunnen kijken. Ik leed jarenlang aan de in mijn jeugd gevreesde longziekte, waaraan jonge mensen geredelijk en hoogst ongemakkelijk stierven. Toen in april 1932 mijn stervensuur leek geslagen, werd de straat voor ons huis met zand bestrooid, teneinde het geluid van zelfs de voetstappen van de voorbijgangers te dempen. Het mag dan ook verwonderlijk heten dat het lot Jean-Paul Franssens en mij, zo verschillend in leeftijd en afkomst, als vrienden monter en wel in Amsterdam heeft samengebracht zodat ik, om maar iets te noemen, wel eens hutspot bij hem eet. Jean-Paul is een gretige kok, net als ik, in het bezit van een petroliestelletje waarop hij zijn vlees of wild liefdevol laat sudderen, zoals hij het zijn moeder heeft zien doen, en ik de mijne. Gouden kinderen en zorgenkinderen, dat zijn Jean-Paul en ik van onze moeders geweest.

Evenals de schedel van Jean-Paul Franssens is ook de schedel van mijn moeder, enkele jaren voor haar dood, doorboord. Zolang zij nog leefde keek ik naar de kleine plek waar, onder het aangroeiende haar, een kleine bult ontstond die mij een met angst gemengd ontzag inboezemde. Ik heb mijn moeder nooit durven vragen of ik die plek mocht aanraken, hoewel ik dat graag had gewild maar toch eigenlijk ook niet durfde. De dokter had haar gewaarschuwd voorzichtig te zijn en haar hoofd vooral niet te stoten. Haar hoofd was, in zekere zin, heilig verklaard.

Toen ik Een gouden kind had gelezen en Jean-Paul Franssens naar de aard en de locaties van zijn stigma's vroeg, wees hij ze mij aan, drie of vier, als ik het goed heb. Ik vroeg hem of ik een van die plekken mocht aanraken, er mijn vingers op mocht leggen. Hij waarschuwde mij, als een onbezoldigde dokter, voor het effect dat een dergelijke aanraking zou kunnen hebben. Daarna leidde hij mijn vingers naar een van de plaatsen waar uit zijn schedeldak jaren geleden een luikje of dekseltje was gezaagd. Het was een overweldigende gewaarwording die plek te voelen alsof ik, lang na de dood van mijn moeder, tegelijk ook haar stigma betastte. Daar, onder het haar en de zachte hoofdhuid opende zich een kleine afgrond waar, voor mijn gevoel, dood en leven elkaar, als in een verbond, waren genaderd. Het voelde aan als de fontanel van een baby, een pasgeborene, de zachte opening in het bot waarmee wij onze geboorte doorstaan en tegelijk afscheid nemen van de buik, de schoot van onze moeder, nadat wij op een wonderbaarlijke wijze bijna uit het niets zijn ontstaan.

    • Adriaan Morrien